Vrijgevigheid fiscaal beloond; Giftenaftrek opmerkelijke subsidie van staat

Lang niet elke gift levert een belastingvoordeel op. Wanneer is een doel goed en een belang algemeen? Een van de opmerkelijkste subsidies die de Nederlandse staat toekent, is de giftenaftrek. Het is een fiscale subsidie die op kan lopen tot 60 cent van iedere gulden die iemand wegschenkt. Zij wordt sinds 1952 gegeven in de vorm van een belastingaftrek en is sindsdien politiek onaantastbaar.

Anders dan bijvoorbeeld bij ziektekosten gaat het niet om een aftrekpost die thuishoort in de structuur van de belastingwet. De overheid zet hier de belastingheffing in voor een ander doel dan een eerlijke lastenverdeling, namelijk `het lenigen van de nood van financiele instellingen'. Voor een uitgavenpost van 400 miljoen gulden is het heel opmerkelijk dat de overheid geen greep heeft op de besteding ervan. De keuze is aan de schenkers die jaarlijks een miljard gulden fiscaal aftrekbare giften doen. De instellingen die daarvan profiteren, kunnen ook aanspraak maken op een laag tarief voor het successierecht als ze schenkingen ontvangen.

Lang niet elke gift levert een belastingvoordeel op. In de eerste plaats moet het gaan om wat in de wandeling een `goed doel' heet. De wet noemt uitdrukkelijk kerken levensbeschouwelijke, wetenschappelijke en culturele instellingen en liefdadigheidsfondsen maar die opsomming is niet uitputtend. Ook andere `algemeen nut beogende instellingen' doen mee. Het heeft geen zin om zich als kerk te vermommen ter wille van de giftenaftrek. Ooit was op de Amsterdamse Wallen de Satanskerk neergestreken. De lidmaten konden na een donatie aan de ingang, deelnemen aan seks met een ritueel sausje. Niet de geilheid van de bezoeker maar eerbetoon aan Lucifer zou voorop staan. Na zich van deze `religieuze' plicht gekweten te hebben, kwam bij sommige bezoekers de diabolische behoefte op om hun donatie (in geld) af te trekken van de inkomstenbelasting.

De Hoge Raad stak daar een stokje voor. Hij ontmaskerde de religie als een kinky bordeel dat geen overheidssubsidie verdiende.

Maar ook voor echte kerken en andere in de wet genoemde instellingen geldt een beperking. Giftenaftrek is alleen gegarandeerd voor de kern van hun activiteiten. Daaronder valt bijvoorbeeld de parochie van katholieken of een loge van vrijmetselaren. Een sportvereniging valt buiten de prijzen, ook als ze helemaal is ingebed in de structuur van een kerk. Aan elke instelling, in de wet genoemd of niet, wordt de eis gesteld dat zij het algemeen belang dient. Tegenover dat algemeen belang staat het eigen belang van bijvoorbeeld de leden van een vereniging. Die kunnen de behoefte hebben aan een gezellige avond ontplooiing van hun artistieke talenten of verbetering van hun sportieve prestaties. Vaak is er sprake van een samenloop. Vrijwilligerswerk voor een museum kan heel gezellig zijn en vluchtelingen ondersteunen kan een weldaad blijken voor de eigen ontplooiing. De Hoge Raad heeft de wettelijke hoofdregel verfijnd door te verlangen dat de begiftigde instelling op zijn minst het algemeen belang in gelijke mate dient als het particulieren belang van de leden. Dat betekent uren tellen, zo redeneerde de belastingrechter.

Een brassband zette zich in voor het algemeen belang door aubades te brengen aan 100-jarigen, mee te lopen in de jaarlijkse optocht en door het muzikaal opluisteren van gedenkwaardige gebeurtenissen in de gemeenschap. Die activiteiten dienen het algemeen belang, zo concludeerde de rechter. De wekelijkse oefenavond van de leden van de band dient evenwel om het muzikale peil van de muzikanten op peil te brengen en dat is een particulier belang.

Door op deze wijze de uren te turven, becijferde de rechter dat de harmonie minder dan 50 procent van de tijd aan het algemeen belang besteedde. Geen belastingaftrek dus voor degenen die gedoneerd hadden voor nieuwe uniformen en instrumenten. Dat is te krap gerekend, zo corrigeert de Hoge Raad de lagere belastingrechter. Een repetitie voor een uitvoering die het algemeen belang dient, telt mee voor de ten algemene nutte bestede uren. Andere repetities zijn niet zonder meer helemaal voor het eigen plezier. Men kan daarvan een of meerdere kwartieren aan het algemeen belang toerekenen. Wie een gift aan een muziekvereniging wil aftrekken moet eerst een - niet aftrekbare - rekenmachine aanschaffen. Handiger is het als de muziekvereniging zelf de zaken kortsluit met de belastinginspecteur en haar weldoeners laat weten of de fiscus de donaties in aftrek aanvaardt. De lidmaatschapsgelden voor de muziekvereniging tellen nooit mee omdat daar rechtstreeks iets tegenover staat, te weten de deelname aan de band.

Veel mensen zien over het hoofd dat een aftrekbare gift ook kan bestaan uit kosten die men voor de betrokken instelling heeft gemaakt maar waarvoor men geen vergoeding heeft gevraagd. Daarbij kan het gaan om autokosten (aftrekbaar tegen 33 cent per kilometer), maar ook het ter beschikking stellen van computers of het schenken van koffie. Men moet van dit soort giften wel armer zijn geworden; een tijdsinvestering pro deo telt niet mee. De giften in natura worden gewaardeerd op de waarde die ze in het economisch verkeer hebben.

Als illustratie van de oneindige inventiviteit van belastingbetalers dient het geval van een bloeddonor. Die voerde zijn halfjaarlijkse bloeddonaties als aftrekbare gift op.

Het betrof ontegenzeggelijk een goed doel, de man had echt iets weggegeven en bloed is waardevol spul dat tegen hoge prijzen wordt verhandeld. De man becijferde de waarde van zijn bloed op 2.500 gulden per donatie en claimde zo een giftenaftrek van 5.000 gulden. Omdat de belastinginspecteur de aftrekpost schrapte, moest hij hem onlangs voor de Leeuwarder belastingrechter prof. Aardema verdedigen. De meeste mensen voelen aan hun water dat de giftenaftrek hier op een oneigenlijke manier wordt opgerekt. Maar Aardema moest nog heel wat moeite doen om dat oordeel juridisch min of meer sluitend te krijgen. Hij riep daarvoor de hulp van de plaatselijke bloedbank in. De bloedbank verklaarde dat zij bloedproducten inderdaad verkoopt en wel tegen officieel vastgestelde prijzen. Bij de berekening daarvan wordt geen geldswaarde toegekend aan het zo gul afgestane bloed. Ziekenhuizen die bloed kopen, betalen dus alleen voor het werk van de bloedbank en niet voor het bloed zelf. Aardema lijdt daaruit af dat het gedoneerde bloed geen economische waarde heeft. Op die grind schrapt hij de gevraagde giftenaftrek. De betrokken donor wil zijn bloedverlies toch met fiscale winst vergolden zien en is inmiddels naar de Hoge Raad gestapt.