Vleestralie

HET IS EEN riskante onderneming om te proberen nog wat optische waarnemingen toe te voegen aan de verzameling die de oude Minnaert bijeenbracht. Het deel van de serie `De natuurkunde van 't vrije veld' dat over `licht en kleur in het landschap' gaat wordt nog steeds geprezen als de meest complete verzameling op zijn terrein. Wat er aan lichtverschijnselen in de natuur bestaat en niet door Minnaert wordt genoemd is het vermelden niet waard.

Minnaerts lijst is af, ja, je zou zelfs kunnen beweren dat sommige van de lichtverschijnselen die hij behandelde al niet meer bestaan. Dwaallichtjes, bij voorbeeld. Omstreeks 1910 heeft dr. A.J.M. Garjeanne in het Nijkerkerveen, tussen Hoevelaken en Nijkerk, nog dwaallichtjes als knikkers zo groot gezien (`overal vonkend tussen hei en wollegras'), maar sinds de Heidemij de streek opknapte verzamelt de Commisie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen (die ook kerstbomen en paardennageboortes in portefeuille heeft) alleen nog herinneringen aan dwaallichtjes.

Nu de dwaallichtjes zelf zijn verdwenen blijft de vraag hoe de vlammetjes ontstonden misschien wel voor goed onbeantwoord. Dat het brandend methaan zou zijn, zoals sommigen beweren, is natuurlijk onzin: methaan ontbrandt niet vanzelf. Minnaert had begrepen dat fosforwaterstof (PH3) de spontane gasontbranding kon verklaren, maar uit een discussie in New Scientist (6 september 1997) over `will-o'-the-wisp' valt af te leiden dat daarvoor tegenwoordig eerder het hydride `diphosphane' verantwoordelijk wordt gehouden. Vast staat dat uit rottende plantenresten, maar ook uit lijken die in vochtige kerkhoven liggen begraven, voldoende van het hydride kan ontwijken. Vandaar ook: `corpse candles'.

Minnaert nam zijn `vrije veld' wel erg nauw. Schrijftafelwaarnemingen en huiskamerervaringen ontbreken bijna volkomen in zijn werk. Er is de beschrijving van een wonderlijke truc om uit de reflecties in een rond geslingerde bril de frequentie van het elektriciteitsnet af te leiden. En hij keek op een gekke avond door het fijne weefsel van zijn droge paraplu naar het licht van een ver verwijderde lantaarn. Uit de waargenomen buigings- en interferentiepatronen leidde hij uit het hoofd de golflengte van het licht af.

Een bril en een paraplu, ook nog een jaloezie, een zeepbel en afgewerkte olie op water (de laatste twee voor de bekende Newton-kleuren): veel verder verwijderde hij zich niet van de natuur. Ook biologen hebben heel lang geen onderzoek aan gekweekte planten willen doen. Wie optische waarnemingen binnenshuis toch de moeite waard vindt zit met een hele reeks fenomenen opgescheept waarvoor hij niet bij Minnaert terecht kan. En die reeks wordt steeds langer. De meest imposante uitbreiding onderging hij bij de komst van de compact disc met zijn schitterende kleuren, die geheel los staan van de informatie die in het schijfje ligt besloten. Wat er ook op staat, de kleuren zijn altijd mooi.

Dat komt doordat de cd onbedoeld ook een buigingstralie, een `diffraction grading' is. (De theorie daarover staat, zoals Minnaert al zei, in elk schoolboek. Bovendien in de Winkler Prins). De sporen met gedigitaliseerde informatie zijn de tegenhangers van de krassen in de optische tralies zoals die al meer dan een eeuw geleden door Rowland werden gemaakt. De spoed van het geluidspoor is 1,6 micrometer, zegt de WP. Dat is aardig genoeg dezelfde orde van grootte als die van de reflectietralies uit spectrometers en dergelijke die zo'n 1000 of meer krasjes per millimeter bezitten. Voor een paar gulden koopt de amateuronderzoeker tegenwoordig een tralie waarop een wetenschapper twintig jaar geleden jaloers zou zijn geweest.

Minnaert, die in 1970 overleed, heeft het verschijnen van de cd niet meegemaakt. Maar ook aan de klassieke grammofoonplaten, althans die van het soort met `minigroove' of `extended play', kon al een aardige kleurschifting optreden. Naar schatting hadden de lp's zo'n 5 groeven per millimeter: kennelijk is een tralieconstante van 200 micrometer dus al klein genoeg.

Als de herinnering niet bedriegt was op de bakelieten 78 toerenplaat die met een cactusnaald kon worden afgedraaid nog geen kleurschifting te zien.

Het aardige is dat de genoemde range aan tralieconstantes in de natuur niet zeldzaam is. De vleugels van vlinders, de dekschilden van kevers en de veren van vogels bevatten voldoende fijne structuren in voldoende strenge regelmaat om er mooie kleurschifting in te zien. Met wat geluk en een goed lichtbron is zelfs het haar op de eigen arm als reflectietralie te gebruiken.

Dit brengt ons op het plakje rookvlees dat hier is afgebeeld. Niet zelden is op dit soort plakjes, of plakjes rosbief en ham, een vreemd verschijnsel waarneembaar: het vlees schittert met een geelgroenige, soms zelfs wat blauwe gloed. Een mini-enquete leert dat de meeste vleeseters dit voor het begin van bederf houden. Zij denken dat op de groenglanzende plek bacterien of zo iets tot ontwikkeling zijn gekomen. Misschien denken ze wel dat er een bacterievlies is ontstaan van het soort dat wel op vieze sloten wordt gevonden.

Een klein AW-experiment heeft aangetoond dat dit onwaarschijnlijk is. Het afgebeelde plakje werd eind september onbeheerd in een kantine aangetroffen en heeft sindsdien in ongeopende verpakking in een schooltas gezeten. Aan de groene gloed die al op de eerste dag aanwezig was is sindsdien niets veranderd.

Als het dan geen bederf is, wat is dan het wel? `Ik noem het zelf atijd de malsspiegel,' zegt een woordvoerder van het voorlichtingsbureau vlees feestelijk. `Je ziet het uitsluitend bij heel mals vlees, op voorwaarde dat dit vlees haaks op de vleesdraad is gesneden. Het is dus een heel gunstig teken. Wie de groene gloed ziet weet: ik verwen mezelf.' Inhoudelijker werd de verklaring niet maar opeens was er het vermoeden: vers vlees dat met een goed scherp mes haaks wordt aangesneden vormt onder gunstige omstandigheden ook een tralie.

Droogt het vlees uit dan verdwijnt het regelmatige patroon. Dan dooft het licht.