Socialistisch Europa

SINDS GERHARD SCHRODER dinsdag zijn intrek heeft genomen in het Duitse Kanzleramt, is West-Europa grotendeels in socialistische handen. Alleen in Spanje en Luxemburg hebben socialisten geen invloed meer op de staat. Dat is uniek. Nooit eerder in de ruim honderdjarige geschiedenis van de socialistische beweging heeft ze zoveel formele macht gehad over zo'n groot deel van dit continent.

Een kwart eeuw geleden zou een dergelijke opmars aanleiding zijn geweest om gewag te maken van een politieke aardverschuiving, om bezorgd een vorm van `Europitis' te diagnostiseren. Tegenwoordig wordt er ironisch gesproken over een `rode oktober'. Een halve eeuw geleden was zelfs alleen al de mogelijkheid van een communistische verkiezingsoverwinning in Italie genoeg aanleiding om de noodklok te luiden en alle registers open te trekken om dit onheil af te wenden. Nu de erfgenamen van de omgedoopte Italiaanse communisten zich mogen verheugen in een heuse premier uit hun gelederen, worden er - anders dan toen - in het buitenland geen briefkaartenacties op touw gezet om de Italianen te waarschuwen.

WAAROM WAART er thans, anders dan Marx en Engels precies 150 jaar geleden suggereerden, geen spook door Europa? Ten eerste omdat de socialisten in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog dermate in het maatschappelijke bestel zijn `ingegroeid' dat ze geen diepgaande veranderingen meer kunnen aanbrengen. Ze mogen er slechts over dromen, en dan nog alleen in kleine kring. En ten tweede omdat de Internationale allerminst internationaal is. De dertien partijen die nu regeringsverantwoordelijkheid dragen, mogen dan wel een gezamenlijk secretariaat hebben in Brussel, voor het overige hebben ze alleen in naam en geschiedenis iets gemeenschappelijks.

Dat geldt zeker voor de grote landen in Europa.

De Labour Party in Groot-Brittannie was al bijna twintig jaar op zoek naar zichzelf toen ze anderhalf jaar geleden met het logo `New Labour' op stropdassen en lederen portefeuilles de verkiezingen glorieus won. Blair kon vervolgens twee vliegen in een klap slaan: hij hoefde, dankzij twee decennia Thatcherisme de rommel niet meer op te ruimen en kon met een schone lei beginnen aan nieuwe nationale projecten.

Hij noemt het de `derde weg', maar met de `Washington noch Moskou-stroming' uit de jaren vijftig heeft het weinig te maken.

IN FRANKRIJK kwamen de socialisten van Jospin daarentegen min of meer per ongeluk aan de macht. Toen president Chirac parlementsverkiezingen uitschreef, beschouwde de PS de campagne als een nuttige vingeroefening voor wat programmatische capriolen. Het was niet de bedoeling om de verkiezingen te winnen met de belofte van een 35-urige werkweek met behoud van loon. Toen dat toch gebeurde, moest de nieuwe premier Jospin als een haas gaan passen en meten om te voorkomen dat het drama van 1981/82 (de eerste regering onder Mitterrand) zich zou herhalen. De partij zelf vertoont intussen nog veel kenmerken van de etatistisch-syndicalistische traditie waarin ze groot is geworden.

De Duitste SPD ten slotte gokte afgelopen maand na zestien jaar oppositionele `Exil' op de vermoeidheid van het oude en de attractiviteit van het nieuwe gezicht. De partij moest winnen, op straffe van de ondergang. Aan interne partijvernieuwing maakte ze dan ook weinig woorden vuil, aan ideevorming over Duitsland evenmin. De campagne was er op gericht het `nieuwe midden' op de christen-democraten te veroveren, een tactiek die de PvdA in suburbaan Nederland ook met succes had toegepast.

DEZE DRIE PARTIJEN uit de socialistische internationale moeten de komende jaren Europa regeren. Dat zou, gelet op de marginale verschillen die er tegenwoordig zijn tussen regering en oppositie, nagenoeg ongemerkt kunnen. Ware het niet dat het feest der economische groei op zijn einde lijkt te lopen. En dat in een Europa waar het grootste probleem van de liberale democratie, de werkloosheid, nog levensgroot op tafel ligt en het europroject binnenkort menens wordt.

Daarom is het gebrek aan cohesie in sociaal-democratisch Europa wel degelijk van belang. Want welke koers wordt er straks gevaren? Het aangepaste neoliberalisme van Blair die geen monetaire pretenties heeft maar de overheid alleen binnen de wetmatigheden van de staatshuishouding wil laten intervenieren in bijvoorbeeld gezondheidszorg en onderwijs? De neokeynesiaanse variant van de nieuwe Duitse minister van Financien Lafontaine, die de banenmachine juist wil aanjagen via regulering van het kapitaalverkeer en daarmee het risico neemt van hoge rente en lage investeringen? Het Franse interventiebestel van Jospin, die arbeid wil scheppen door een beroep te doen op de euro? Of het poldermodel van Kok, die de consensuseconomie predikt door vooral te zwijgen?

WE WETEN HET NIET. En dat komt omdat de socialistische internationale tot nu toe geen partij is geweest voor de liberale internationale. De partijen, die nu aan de macht zijn, hebben de afgelopen decennia vooral in hun eigen nationale tuintjes geschoffeld. Het gevolg daarvan is dat de Europese sociaal-democratie geen gemeenschappelijke theorie heeft. De waarschuwingen van de centrale eurobankier en socialist Duisenberg over de plannen van Genosse Lafontaine spreken boekdelen. En als er een algemene lijn wordt uitgezet, komt die van relatieve buitenstaanders als de Britse historicus Donald Sassoon, auteur van het standaardwerk Hundred years of socialism. De sociaal-democratie heeft daarmee de erfenis van de Duitse revisionist Eduard Bernstein, die 99 jaar geleden de aanzet gaf tot de integratie van de socialistische partijen in de liberaal-kapitalistische maatschappij, verloochend. De consequentie daarvan is vooralsnog onduidelijk. Maar als het socialistische schip, na enig experimenteel gezwalk, op de mondiale kade stukloopt, zou de prijs wel eens hoog kunnen zijn.