RELIKWIE; Het borduurwerk van Elvira Becks

Een 15-jarig meisje van nog geen veertig kilo en anderhalve meter lang vocht zich zes jaar geleden tussen de elite van het meisjesturnen. Elvira Becks, een meisje met de honger en de souplesse van een tijgerpuppie. Ze kon springen en dansen op de vloer, zwaaien en zwieren op de brug en trippelen en draaien op de balk als een geboren turnster. .TE Ze had gevoel voor ritme en stijl, maar ze had vooral talent voor topsport. Dertig uren per week pijnigde ze zich onder de strenge leiding van haar trainer om tot de besten van de wereld te kunnen behoren. Nederlandse turnstertjes voeren doorgaans een ongelijke strijd. Hoeveel talent ze ook hebben, hoe klein en beweeglijk ze ook zijn, tegen de overmacht van vooral Oost-Europese meisjes zijn ze niet opgewassen. In 1972 baarde Ans van Gerwen op de Olympische Spelen opzien met een negentiende plaats, in 1992 herhaalde Elvira Becks deze prestatie bijna door in de persoonlijke meerkamp als 22ste te eindigen. Tijdens de finales in Barcelona probeerde ze zich tussen de onderdelen door te ontspannen door haar borduurwerkje ter hand te nemen. De gespierde handjes die haar over brug, balk en vloer leidden, dienden zich te verpozen met priegelwerk. Een half jaar na haar bijzondere verrichting stopte ze met turnen. Ze nam balletles, ze ging liever dansen. Dat was veel leuker.