Open Kamp

“Bonk, bonk, bonk... sis, sis, sis... kort, lang, kort...' De allerlaatste afscheidswoorden. Ze gaan me door merg en been. Ik ben bijna vrij en zij moeten nog alles bij elkaar ik weet niet hoeveel honderden jaren. Daar wordt niemand vrolijk van.

Vooral de Egyptenaar, die nog tot 2005 moet, gaat te keer. “Write me, write me, write me', wanhoopt hij tot de laatste X-ray en zelfs als Blok B al vele gangen achter me ligt, raast zijn stem nog door me heen. “Write me, write me, write me.'

Ik krijg mijn paspoort terug, een nieuwe verlospas voor de treinreis naar het Open Kamp erbij, geldigheid drie uur, van 9.00u tot 12.00u, en moet mijn inrichtingspas inleveren.

“Zo, nu ben je weer onder de mensen', mompelt de Uit-blauwe. “Je bent al de vierde vandaag, twee verloffers, twee definitief.' Vermoeid kijkt hij me aan. Voor hem is vrijheid alleen maar gezeur. Pas in, pas uit, geld, in beslag genomen telefoonkaarten retour, aftekenen, volgende. “Het beste.' Met een klap valt de poort achter me dicht. Het is 9.00 uur. Detentienummer 22.400.872 bestaat niet meer. Ferdy Verschuur is terug. Lang zal hij niet leven. Zolang de reis naar het Open Kamp duurt tot 12.00 uur op zijn laatst. Daarna wordt hij opnieuw opgeheven en moet drie maanden als Open Kamper door. Nieuwe nummers, nieuwe passen, nieuwe reglementen.

Taxi, trein, bus. Razendsnel raas ik door de vrijheid. Veel heb ik er niet aan. De deadline van 12.00 uur hangt loodzwaar boven mijn hoofd en ook van de stemmen en signalen om me heen word ik niet vrolijk.

“Mijn bruine trui ligt bij jou en ik heb jouw groene muts nog', zegt een bord voorbij Amsterdam-Centraal. “Wonen op een toplocatie vlakbij de A2 is niet moeilijk, een A-tweetje aan ons is genoeg', meldt makelaar Verbene ter hoogte van Utrecht. “Alcohol sloopt, drink met mate', waarschuwt een poster bij overstap in Apeldoorn.

“Nou met Els is het nu wel bijna afgelopen en Henk moet overmorgen onder het mes' ratelt een stokoud vrouwtje tegen een vriendin aan het begin van het traject Apeldoorn-Zutphen.

“En wat te denken van Greet die nu helemaal kaal is, en van Cora van wie ik nu al wekenlang niks heb gehoord? Is die misschien al dood?'

Het hele traject gaat het maar door. Er komt geen sprankeltje leven aan te pas.

“Onwetendheid = volksvijand Nr. 1, Gebruik Condooms', schreeuwt een affiche op de abri `Graafse Kamp'. We zijn er. Het is 11.37u. Ik heb het gered.

Tegelijk met een Marokkaan stap ik uit. Al tijdens de busrit wist ik dat het een medekamper was. Na negen maanden herken je je collega's wel: inrichtingskleren lijkbleek gezicht, schichtige blik en onzekere stap - alsof zoveel wereld in een keer te veel is.

In de verte zie ik onze eindbestemming al liggen: een paar houten barakken, wat hekken en een stuk tuin. “P.O.I. Graafse Kamp', zegt een bord aan het begin van de weg. De cryptische waanzin werpt haar schaduwen al vooruit. Ook in deze Penitaire Open Inrichting zal het ongetwijfeld sterven van de afkortingen, beschikkingen artikelen.

“Bosploeg verzamelen, bosploeg verzamelen.' Het is de eerste keer dat de Graafse Kamp van zich doet spreken. We zijn nu vlakbij. Onheilspellend dendert de kreet door de bossen. Maar er gebeurt niks. Geen bosploeger die zich meldt. Doodse stilte.

“En dat zijn Verschuur en Abdul.' We zijn er. Vriendelijk kijkt een oudere man ons aan. Hij is de eerste uniformloze die ik in maanden zie. Er komt geen streepje of epaulet aan te pas. “Ik heet Bartels.' Ook dat heb ik nog niet meegemaakt. Een bewaker die zich voorstelt. Blauwen zijn hier mensen.

“Bosploeg vertrekken, bosploeg vertrekken.' Opnieuw ranselt de microfoon de barakken. Nu met meer resultaat. Uit de omliggende gangen doemen een paar bosploegers op.

“Is Gerrit er al?' wil een rijksgenoot weten.

“Die zit al in het busje. Zijn jullie zover?' Met zijn achten gaan ze op weg. Veel zin hebben ze er niet in. Ze lanterfanten en gapen wat. Als onze bossen het van deze ploeg moeten hebben, ziet het er somber voor ze uit.

“Ik zal jullie het kamp even laten zien.' Even lopen de rillingen me over de rug. Aan dat woord ben ik nog steeds niet gewend.

Langzaam drentelen we door de barakken. Veel valt er niet te zien en alles is even troosteloos en vies: een videoruimte - `Niet lullen maar kijken' - twee gangen, A en B, met piepkleine kamertjes en per gang een gezamenlijk toilet - `Niet spatten een ander wil ook droogzitten' - een bewakershok, een televisieruimte annex eetzaaltje, een sportzaaltje - `Gezond lichaam, gezonde geest' - en een keuken, het enige lokaal dat kraakhelder blinkt: `Dini's Paleis'.

“De vroege maaltijders kunnen naar de eetzaal, er is soep in de keuken', dendert de microfoon. Haastig schieten een paar maaltijders voorbij.

“Die hebben vroeg weekeind', legt Bartels uit. “Twee uur weg, zondag zes uur terug, normaal is half zes weg, tien uur terug.'

Langzaam trekt de middag voorbij. Formulieren invullen, reglementen lezen oekazes spellen.

“Voorlopig ben je bos, tot we wat anders hebben gevonden.' Vluchtig kijkt Bartels naar mijn handen. Ze zijn zo glad als het maar kan. Veel bos zit er niet in.

“Hebben jullie al een kamer voor me?' vraag ik rond vier uur. Abdul is al in geen velden of wegen meer te bekennen en ik zit nog steeds in het bewakershok.

“Nee nog niet, die is nog bezet, dat regelen we zondagavond na je terugkomst wel.'

“Kroketten en frikadellen zijn op, schrijf je het even op vier dozen van elk.' Het is Dien, de kokkin.

Het is vijf uur. Haar paleis gaat op slot. IJverig noteert Bartels haar bestelling.

“Het weekeind gaat nu in.' Opnieuw ranselt de microfoon het complex. Het is half zes en ik krijg f37,50 in mijn handen gedrukt, de vergoeding voor een dag `Kamp'. Bij mijn vorige werkgever verdiende ik het nog niet in een week.

Daarna zet iedereen het op een lopen. De meesten snellen naar gereedstaande auto's, een paar pakken het inrichtingsbusje naar het station. Bartels rijdt. Hij heeft haast. Ook voor hem is het weekeind begonnen.

“Zondagavond half tien hier.' We zijn er. Hij wijst naar een plek naast de restauratie. “En denk erom he, als je te laat komt wel een vertragingsbriefje van de conducteur meenemen, anders heb je so wie so een probleem. Elke minuut te laat is een uur minder weekeind de volgende keer en als je het echt te bont maakt wordt het terug naar de HvB* en ook geen drank of drugs bij terugkomst, dan is het direct afvoeren geblazen.' Dreigend kijkt hij me aan.

Iedereen zegt op zijn eigen manier “Prettig weekend', “Tot zondag'. Met een noodgang scheurt hij weg.