Inkomensderving bij werkloosheid

Het beleid van het paarse kabinet is er op gericht zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen en te houden. Dit streven heeft in een opgaande economie meer kans van slagen. Daarnaast speelt de opbouw van de bevolking een belangrijke rol voor de arbeidsmarkt. De toenemende vergrijzing en ontgroening bieden meer perspectief op werk voor degenen die kunnen werken.

De versoberingen van het sociale verzekeringsstelsel zijn ingevoerd om zoveel mogelijk mensen te dwingen door middel van werk in hun onderhoud te voorzien. Indien iemand buiten zijn of haar schuld ontslagen wordt, biedt de werkloosheidswet een vangnet. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden en de leeftijd van de betrokkene. Er is sprake van een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering.

De loongerelateerde uitkering is gelimiteerd tot een maximum van 301,83 gulden per dag (1998) berekend over 261 dagen per jaar: het zogenaamde maximumdagloon. Alleen werkdagen gerekend, zaterdagen en zondagen blijven buiten beschouwing. De aan het loon gerelateerde uitkering bedraagt 70 procent van zijn of haar dagloon. Het maximumdagloon is boven-grens.

In 1998 kan daarom de maximum bruto uitkering krachtens de werkloosheidswet niet hoger zijn dan ruim 55.000 gulden. Dit betekent dat een werkloze die voldoet aan de eisen van het arbeidsverleden het, ongeacht het vroegere salaris, moet stellen met dit maximum. De hoogste uitkering wordt bereikt bij een salaris van ongeveer 79.000 gulden bruto en ook bij veel hogere salarissen blijft de maximale uitkering ongeveer 55.000 gulden bruto. Het maximumdagloon wordt jaarlijks vastgesteld.

Om in aanmerking te komen voor de aan het loon gekoppelde uitkering moet de werkloze aan een dubbele eis voldoen. Dit zijn de `wekeneis' en de `vier-uit-vijf jaren-eis'. Voor de `wekeneis' moet de werknemer in de periode die direct aan de werkloosheid voorafgaat minstens 26 van de 39 weken gewerkt hebben op minstens een dag per week. Als er wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet gewerkt wordt, mag zo lang teruggeteld worden tot een aantal van 39 weken bereikt is.

De `vier-uit-vijf jaren-eis' houdt in dat de werknemer voorafgaande aan het jaar waarin de werkloosheid ingetreden is minstens gedurende vier kalenderjaren minimaal op 52 dagen per jaar gewerkt heeft. Of onmiddellijk voorafgaand aan de werkloosheid recht heeft op een WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) of WAZ-( Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen) uitkering.

Indien de werkloze aan beide eisen voldoet, wordt het aantal jaren dat volgt uit de `vier-uit-vijf eis' opgeteld bij het aantal jaren dat iemand daarvoor ouder dan 18 jaar is. Voor de berekening van de `vier-uit-vijf eis' gelden bijzondere regels voor de jaren dat een ouder niet gewerkt heeft wegens de verzorging van jonge kinderen. De jaren waarin de ouder een kind jonger dan zes jaar verzorgd heeft worden gelijkgesteld met jaren waarin gewerkt is. Als de ouder kinderen tussen zes en twaalf jaar heeft verzorgd tellen de betreffende jaren voor de helft mee voor de berekening van het arbeidsverleden.

Bij het voldoen aan deze eisen duurt de uitkering minimaal een half jaar en maximaal vijf jaar. De uitkering van vijf jaar wordt pas bereikt bij een arbeidsverleden van veertig jaar. Dit wil niet zeggen dat er in werkelijkheid veertig jaar gewerkt is. Als het arbeidsverleden aan zowel de `weken-' als de `jaren-eis' voldoet, wordt immers teruggeteld tot de leeftijd van 18 jaar. Het betekent wel dat een van het loon afgeleide uitkering van maximaal vijf jaar pas verworven kan worden op de leeftijd van 58 jaar.

Na afloop van de aan het loon gerelateerde uitkering volgt dan de vervolguitkering van twee jaar op basis van 70 procent van het minimumloon; een uitzondering geldt hierbij voor mensen van 57,5 jaar en ouder. Voor hen duurt de vervolguitkering maximaal 3,5 jaar. Vanaf 65 jaar bestaan er geen rechten meer op uitkering, omdat er dan recht op AOW (Algemene Ouderdomswet) bestaat.

Bij deeltijdarbeid is het mogelijk dat het loon en de uitkering lager zijn dan het minimumloon. Als de werkloze een (gezins)inkomen heeft dat lager is dan het sociaal minimum is een toeslag mogelijk op basis van de Toeslagenwet.

Met de toeslag wordt beoogd de werkloze een inkomen op basis van het minimumloon dat past bij de gezinssituatie te garanderen. De uitkering zal in totaal echter nooit hoger zijn dan het loon dat de werknemer voorheen verdiende.

Om voor een toeslag in aanmerking te komen wordt tevens naar het inkomen uit arbeid of uitkeringen in verband met arbeid van de partner gekeken. In tegenstelling tot de ABW (Algemene bijstandswet) vindt er geen vermogenstoets plaats.

De plichten van de werkloze zijn nauw omschreven. Sinds 1 augustus 1996 is een nieuwe omschrijving van het begrip verwijtbaar werkloos in de wet opgenomen. Deze omschrijving houdt in dat iemand moet weten dat bepaalde gedragingen tot ontslag kunnen leiden. Ook het meewerken aan ontslag dat niet nodig was, kan tot verwijtbaar ontslag leiden. Het is van belang niet mee te werken aan een ontslag omdat hierdoor de werkloosheidsuitkering kan komen te vervallen.

Als de werknemer op redelijke gronden ontslagen is en in aanmerking komt voor een uitkering moet zo snel mogelijk passende arbeid aanvaard worden en mogen er geen onredelijke eisen, die het vinden van ander werk bemoeilijken, gesteld worden. De werkloze moet zich laten inschrijven als werkzoekende bij het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening en moet ook zoveel mogelijk solliciteren. Het arbeidsbureau controleert de sollicitatieactiviteiten en roept in sommige gevallen op tot het volgen van een aanvullende opleiding om de kans op ander werk te vergroten. Onvoldoende meewerking kan leiden tot korting of stopzetting van de uitkering.

Een vervelende consequentie van werkloosheid is dat de pensioenopbouw onderbroken wordt. Dit geldt voor de opbouw van het ouderdomspensioen en van het nabestaandenpensioen.

De rechten op AOW blijven overigens gewoon bestaan. In bepaalde gevallen kan de opbouw van het pensioen via het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering voortgezet worden. De werkloze werknemer moet in ieder geval op het moment van ontslag minstens 40 jaar oud zijn en voor het ontslag deelnemer in een pensioenregeling geweest zijn. De regeling geldt uitsluitend voor de periode waarin een loongerelateerde uitkering genoten wordt.