INGENIEUR

In de bijlage W&O van 10 oktober bespreekt Jacqueline Kuijpers op journalistieke wijze de opzienbarende dissertatie van Blokhuizen en Van Montfort over de onderwijskwaliteit van werktuigbouwkundige ingenieursscholen. Het lijkt er echter op dat ze het proefschrift zelf niet heeft gelezen. Anders had ze, ook dat is journalistiek, commentaar moeten geven op de mening van dr. F.C. van Rijswijk, faculteitsdirecteur van een van de door de twee promovendi onderzochte werktuigbouwkundige scholen en tevens hun baas.

Waar gaat het om? Blokhuizen en Van Montfort concluderen dat studenten onder meer hun docenten nauwelijks serieus nemen en ze beschouwen als mislukte ingenieurs. Van Rijswijk, die zoiets natuurlijk niet leuk vindt, zegt echter: ``Wij houden regelmatig enquetes en daaruit blijkt dat men tevreden is met de opleiding.' En daar wringt de schoen nu juist. In hun proefschrift verantwoorden Blokhuizen en Van Montfort namelijk uitgebreid waarom ze zo'n moeite hebben gedaan om een nieuwe methodiek te ontwikkelen waarmee de werkelijke gedachten van de studenten op cultuuursociologisch verantwoorde wijze achterhaald kan worden. Hun onderzoek omvatte maar liefst 1.126 studenten uit vier grote instituten dat is 18 procent van de totale studentenpopulatie. Met simpele enquetes komt men er niet als men de kwaliteit van het onderwijs wil achterhalen met de percepties van de actoren als maatgevende factor.

In een ander deel van hun onderzoek laten de twee onderzoekers zien dat de toegewezen overheidsgelden door het onderwijsmanagement anders worden gebruikt dan bedoeld door de nationale overheid. Slechts 31 procent in plaats van de door de overheid beschikbaar gestelde 65 procent gaat naar het onderwijs; de resterende gelden, 69 in plaats van 35 procent, worden besteed aan managementzaken. Ik voeg er graag aan toe dat tijdens de promotie door een van de promotoren, prof.dr. Paul Frissen, nog expliciet naar deze cijfers werd gevraagd. ``Ze zijn correct en vele malen nagerekend', liet Blokhuizen weten.

In het proefschrift worden de cijfers uitgebreid verantwoord. De inspecteur-generaal van het onderwijs prof.dr. F.J.H. Mertens, lid van de promotiecommissie, hoorde ik dan ook niet over deze cijfers vallen, noch de andere promotor, onderwijsbons prof.dr.

Wynand Wijnen. Van Rijswijks verweer, luidend: `Ik ben er nog niet achter waarop ze zich baseren, maar het klopt absoluut niet met onze cijfers. De auteurs hebben dat getal van 31 procent niet geverifieerd bij onze directie', klinkt naar mijn mening dan ook erg mager en afwerend. Ook zonder de promotie te hebben bijgewoond, had men dat kunnen constateren en vooral ook kunnen contrasteren met het geacheveerde betoog van Blokhuizen en Van Montfort.