In Napels heerst in de klas de camorra

Het begon als wat herrie in klas 1A van de Pascoli-school in Napels. De leraar techniek zegt dat een meisje beter op moet letten.

Meteen staat er een jongen van twaalf op die roept dat de leraar niet op zo'n boze toon moet praten. De man pakt de jongen bij de arm, zegt dat hij zich beter moet gedragen en dwingt hem weer te gaan zitten.

Het lijkt een normale reprimande. Maar niet in Napels, niet in de wijk Secondigliano, een broeinest van de camorra, de plaatselijke versie van de mafia. En zeker niet als de bestrafte leerling de zoon is van een van de belangrijkste camorra-bazen van de wijk.

De jongen staat op en rent weg. Korte tijd later komt de concierge de leraar vertellen dat er twee mannen op hem staan te wachten in de lerarenkamer. Die verliezen geen tijd met woorden en slaan de 52-jarige leraar zonder pardon in elkaar met een paar stoelen. Bloedend blijft de man op de grond liggen.

En dan treedt, met de collectieve reflex die de bestrijding van de georganiseerde misdaad in Italie zo moeilijk maakt, het mechanisme in de werking van de omerta, het stilzwijgen. Niemand heeft iets gezien, niemand heeft iets gehoord.

Het slachtoffer kan er niet omheen naar het ziekenhuis te gaan. Daarvoor zijn zijn verwondingen te ernstig: een hersenschudding een gebroken vinger, en een snee die gehecht moet worden.

Maar tegen de agent die wil weten wie hem zo heeft toetakeld, vertelt hij dat hij de mannen niet kent.

Hij zegt dat hij zo is toegetakeld dat hij zich ook niet meer de naam van de leerling kan herinneren. Laten we er maar niet meer over praten, zegt hij. Daar schiet niemand iets mee op.

De rector houdt zijn mond, net als de medeleraren. Als de leerlingen al iets vertellen, stopt de berichtenstroom bij hun ouders. Bijna vier dagen lukt het om deze strafexpeditie geheim te houden onder de mantel van omerta en angst.

Maar dan lekt het gebeurde toch uit, afgelopen zondag. De school Pascoli wordt het symbool voor de straffeloosheid waarmee de camorra kan optreden en voor de lijdzaamheid en de gevoelens van machteloosheid waarmee anderen toekijken.

De eerste die alarm slaat is de president van de regio, Amato Lamberti. “Het ergste is nog het stilzwijgen van de andere leraren', zegt hij. “Wat voor voorbeeld krijgen de kinderen zo?' Kamerleden en de media springen erin.

Het wordt een politieke rel, een test voor het nieuwe kabinet. Dat laat niet op zich wachten.

De rector wordt overgeplaatst omdat hij niets heeft ondernomen, geen aanklacht heeft ingediend bij de politie.

Intussen vertellen leraren (anoniem, want iedereen is bang) tegen Italiaanse journalisten dat het klimaat op de school al slecht was, maar nu nog erger is geworden. Jongens van 12, 13 en 14 jaar lopen rond als kleine mafiabaasjes die niemand iets durft te maken, en bellen onder de les met hun zaktelefoon.

Sommigen schermen met de macht van hun vader anderen komen niet uit een camorra-familie, maar nemen het gedrag over. Een lerares die daar iets van zegt, krijgt te horen: heb je niet gezien wat er is gebeurd met je collega?

Voor lesgeven is weinig tijd meer want donderdag bezetten boze leerlingen de school. Ze schrijven met grote letters `Wij zijn geen criminelen' op de muur en protesteren tegen de overplaatsing van hun rector, omdat die zoveel heeft gedaan voor de school.

Een aantal leraren sluit zich aan bij dit protest. Zij zeggen dat de rector is aangewezen als zondebok voor een probleem dat veel ingewikkelder ligt.

Voor minister van Onderwijs Luigi Berlinguer blijft de oude rector de man die bleef zwijgen bij onrecht en daarvoor bestraft moet worden.

Het is onaanvaardbaar dat iemand op een school in elkaar geslagen kan worden, zei Berlinguer donderdag, en het is onaanvaardbaar dat dergelijke geweld niet wordt aangegeven. Hij verwierp de protesten van leerlingen en leraren als een misplaatste vorm van solidariteit.

Het slachtoffer is niet teruggeweest op school. De ongetrouwde man woont met zijn zus in Eboli, anderhalf uur rijden heen en anderhalf uur terug, en vertelt dat alleen de burgemeester van zijn woonplaats en mensen van een vroegere school hem hebben gebeld om hun steun uit te spreken.

Verder niemand. Vanaf zijn ziekbed laat hij weten dat hij om overplaatsing heeft gevraagd. “Ik ben moe. Ik heb geen zin meer in die ellende.'