Het raadsel van de ouderlijke invloed

Hoe maak je in Amerika een populair sociaal-wetenschappelijke bestseller? Een die op de lijst van de New York Times komt, of zelfs “from coast to coast' wordt gekocht? Ik ken het juiste recept niet, maar wel enkele ingredienten. Men neme een idee waaraan nog nooit iemand heeft gedacht omdat het te onwaarschijnlijk is voor woorden. Roer daar doorheen alles wat in de kruidentuin met onderzoeksresultaten en alledaagse wijsheid is te vinden dat het idee zou kunnen ondersteunen.

Alles wat op het tegendeel zou kunnen wijzen late men uiteraard staan. Het liefst gebruike men een pan die is gemaakt van dramatisch materiaal uit de eigen levensgeschiedenis.

Zo ongeveer, begrijp ik, moet ook Judith Harris te werk zijn gegaan toen zij haar recent verschenen boek The Nurture Assumption: Why Children Turn Out the Way They Do schreef. Het leverde haar coverstories en interviews op in onder meer Newsweek en de New Yorker en gastoptredens in diverse talkshows.

Haar idee is dat ouders aan hun nakomelingen alleen genetisch materiaal overdragen en dat de vormende invloeden die kinderen tijdens het opgroeien ondergaan voornamelijk afkomstig zijn van leeftijdgenoten. Dit inzicht dat ouderlijke inspanningen bij het grootbrengen van hun kinderen er eigenlijk weinig toe doen trof haar zoals ze in het interview in de New Yorker zei, als een lichtflits. Het was het verlossende antwoord op haar tobberige vraag hoe het toch mogelijk was dat haar geadopteerde dochter maar niet wilde deugen, terwijl bij haar biologische dochter alles naar wens verliep. Zij had beiden toch precies hetzelfde opgevoed?

Er is nog meer drama in Judith Harris' leven waaronder het feit dat zij geen psycholoog heeft kunnen worden, omdat zij indertijd van Harvard is weggezonden wegens gebrek aan voldoende intellectuele capaciteiten.

De onderzoeksliteratuur heeft zij echter kennelijk bijgehouden, want die gebruikt zij om haar bewering te staven. Zij het volgens de Amerikaanse ontwikkelingspsychologen die ik ernaar vroeg, selectief en tendentieus. Theodore Wachs, die ook in Newsweek aan het woord kwam, vond het vooral zo'n onlogische redenering die Judith Harris opbouwt. In onderzoek is tot nu toe niet gevonden hoe de ouderlijke invloed in z'n werk gaat en wat die precies wel en niet inhoudt. Maar daaruit mag je niet concluderen dat die er dus niet is. En dat is wat Judith Harris wel doet.

Het gaat hierbij vooral om een methodologisch probleem. De invloeden die kinderen ondergaan vormen een complex waarin cultuur, samenleving, ouders, school, broertjes, zusjes leeftijdgenoten, vrienden, sociaal-economische omstandigheden, familie televisie en nog wat meer op een warrige manier zitten verknoopt. Omdat je met kinderen nu eenmaal niet kunt experimenteren, is het vrijwel onmogelijk de ouderlijke bijdrage-puur te isoleren. Zelfs uit de resultaten van gedragsgenetisch onderzoek die wijzen op een geringe invloed van de “gedeelde omgeving' op de ontwikkeling van kinderen uit een gezin, mag niet worden geconcludeerd dat het doen en laten van de ouders er weinig toe doen. Het is immers mogelijk dat kinderen - juist door hun eigen aard - de ogenschijnlijk zelfde opvoedingsaanpak verschillend ondergaan en er dus verschillend door worden beinvloed.

Bovendien lijken de twee invloedsstromen die uitgaan van ouders en leeftijdgenoten op z'n minst iets met elkaar te maken te hebben. Al was het alleen maar doordat kinderen die buitenshuis met elkaar omgaan van huis uit meestal in grote lijnen dezelfde geografische, sociale economische, religieuze en scholingsachtergrond hebben.

Anderzijds zijn er, als het om adolescenten gaat, aanwijzingen voor de zogeheten domeintheorie: ouders zijn het orientatiepunt voor het toekomstig leven als volwassene, leeftijdgenoten voor het bestaan als jongere nu.

Zonder uitzondering waren mijn gespreksgenoten van mening dat het in zijn effect een rampzalig boek kan zijn. Ouders die zich toch al onzeker, zo niet machteloos voelen, zouden er aanleiding in kunnen vinden zich maar terug te trekken en het grootgroeien over te laten aan de vrije krachten binnen de peergroup.

De media houden echter wel van dit soort boeken en geef ze eens ongelijk. Een vrouw die door mannelijke Harvardprofessoren te licht werd bevonden, lijkt hen op het eerste gezicht alsnog te kijk te zetten. Als de Nederlandse vertaling verschijnt zal de tweedeling tussen serieuze wetenschap en populaire pers zich zeker herhalen.

Psycholoog Howard Gardner - zelf een bekend populair-wetenschappelijk Harvardauteur - wijst in zijn negatieve bespreking in de New York Review of Books op nog een ander aspect. Zonder het te beseffen hanteert Judith Harris de Amerikaanse cultuur als norm voor de opvoeding van kinderen in het algemeen. En het is waar dat vergeleken met bijvoorbeeld Europa in de Verenigde Staten peers voor zowel volwassenen als kinderen een grotere rol spelen, zij het niet zo absoluut als zij meent te weten. Het verschijnsel is al in 1830 beschreven door De Tocqueville en in deze eeuw hebben de socioloog Riesman en de psycholoog Bronfenbrenner er overtuigende karakteriseringen van gegeven.

Ik vraag me af of dit iets te maken kan hebben met de enorme uitgestrektheid van het land en de nog altijd aanwezige neiging van migranten om te trekken naar waar beter werk of hogere status is te vinden. Eigenlijk doet het er niet toe waarheen. Van al onze Amerikaanse vrienden zijn er maar weinig die althans een volwassen kind op redelijke rijafstand hebben wonen. Men ziet elkaar met Thanksgiving, Kerstmis of een bijzondere gelegenheid. Het vergt de vaardigheid om in nieuwe woonsituaties steeds weer contacten te leggen. Over het algemeen zijn Amerikanen daar wel goed in. Hi, whe're you from?

Het is dit soort leven waarmee Amerikaanse kinderen van jongsaf vertrouwd zijn. Het zou kunnen dat zij zich ter voorbereiding ook al wat meer op het sociale peerleven richten dan Europese kinderen.

Het is maar een idee.