Handen uit de mouwen

De vissers, die na de bevrijding weer konden uitvaren, hadden gebrek aan netten, aan touwwerk, aan kolen, aan werkkleding en vooral goede schepen. Van de 230 vaartuigen, waaruit de haringvloot had bestaan, waren er die zomer maar 37 over. Maar de oorlog had de haring kennelijk geen kwaad gedaan. De vangsten waren wonderbaarlijk. Bovendien zaten de scholen vlak onder de kust, zodat ze met betrekkelijk weinig brandstof konden worden bereikt. In totaal werd in augustus drie miljoen kilo zeevis en paling aan land gebracht, driemaal zoveel als in juli.

Dergelijke informatie verschaft de brochure Een halfjaar vrijheid uitgegeven door de Regeringsvoorlichtingsbijeenkomst met medewerking van de Nederlandse Stichting voor Statistiek. Op de voorkant staat een troffel met een baksteen en op die baksteen staat: 180 dagen opbouw na 1800 dagen afbraak. November '45 dus. Natuurlijk was het de bedoeling de bevolking nog voor de winter een hart onder de riem te steken.

Met nuchtere cijfers geeft deze brochure een beeld van de toestand waarin ons land in mei '45 verkeerde. Alsof er tien orkanen tegelijk waren overgetrokken.

Van de woningen waren er 80.000 verwoest en 35.000 zwaar beschadigd: in een stad als Arnhem was maar vijf procent van de woningen niet beschadigd. Zwaar getroffen was ook het hoogspanningsnet; alleen al de lijn Lutterade-Geertruidenberg was op 1.500 plaatsen vernield. Van de 48.000 vrachtwagens waren er 7.000 over. Van de locomotieven was veertig procent door de Duitsers geroofd of onklaar gemaakt, en hetzelfde gold voor zeventig procent van de personenrijtuigen, 75 procent van de spoorbruggen, 85 procent van de goederenwagons en negentig procent van de bovenleidingen. De golf van destructie had ook 38.550 telefoonaansluitingen en 72 telefooncentrales getroffen. Alleen al op de Rijn waren zo'n 1.000 schepen tot zinken gebracht. De toegangen tot de havens van Amsterdam en Rotterdam versperd. Vele kilometers kade waren vernield, boeien en dukdalven verdwenen. In Rotterdam was tachtig procent van de petroleumtanks en negentig procent van de opslagruimte voor kolen en ertsen verwoest; dertien van de zestien drijvende dokken waren tot zinken gebracht of vernield, de meeste laadbruggen en kranen geroofd. In Amsterdam waren maar veertig van de 220 kranen bedrijfsklaar.

Over het hele land was bijna 2,5 miljoen hectare grasland, akkerland en tuinbouwgrond onder water gezet, voor een deel onder zout water. En toen dit alles was gerealiseerd vertrokken de Duitsers met achterlating van drie tot vier miljoen mijnen in onze bodem.

Aan dit land nu was de zorg voor ruim negen miljoen inwoners toevertrouwd, van wie er al meer dan drie miljoen in de grote steden leefden.

Chaos en ontwrichting gebrek aan alle mogelijke grondstoffen en hulpmiddelen. Laat je dit goed tot je doordringen, dan dwingt de voortvarendheid waarmee de problemen werden aangepakt enorme bewondering af. De ene dag waren de Duitsers er nog, de volgende werd al aan een nieuwe toekomst gewerkt. Er was een overheid die de richting wees, en die richting was industrialisatie - zij wilde meer dan alleen herstel van het levenspeil, zij wilde ook garanties tegen een economische crisis (werkloosheid en armoede) zoals die aan de oorlog was voorafgegaan.

En er was een volk dat energiek en bezield genoeg was om die richting in te slaan.

Achteraf lees en hoor je wel over de teleurstelling van de nieuwe verzuiling, waardoor Nederland in die jaren weer verdeeld raakte. Maar nog meer achteraf kun je alleen maar constateren dat die verdeeldheid overkoepeld moet zijn geweest door een voorbeeldige eendracht. Hier werd iets collectiefs verricht, hier moet een krachtig wijgevoel hebben geheerst. Onder deze paraplu, stel ik me voor, heeft de competitie van de verzuiling stimulerend gewerkt.

Kortom, het zal heus wel ergens geknarst hebben, maar uiteindelijk grepen immense raderwerken schitterend in elkaar.

Blader je nu de brochure Een halfjaar vrijheid nog eens door, dan zie je dat de inzet van de Limburgse mijnwerkers als cruciaal werd beschouwd.

Zoals nu alles draait om bits (naar het schijnt), zo draaide toen alles om kolen.

De mijnwerkers kregen voorrang bij de verdeling van voedsel en consumptiegoederen, een nieuwe pensioenregeling en medezeggenschap in de Mijnindustrie Raad. Najaar '45 lag de dagproductie alweer op tweederde van het peil van 1939.

Om de bevaarbaarheid van de Maas te herstellen moesten intussen drie stuwen worden gerepareerd, 252 schepen worden gelicht en enorme hoeveelheden grond verzet. Op 15 augustus kon de vaarweg weer in gebruik worden gesteld.

Nog ingrijpender werkzaamheden bleken noodzakelijk voor het Twentekanaal, van beslissende betekenis voor de bereikbaarheid van de textielindustrie. Van de 23 bruggen over dit kanaal was er niet een meer intact. Het hele kanaal werd drooggelegd, zodat obstakels met tractors op de kant konden worden getrokken. Op 17 september werd het heropend.

Begin oktober hadden de spoorwegen 990 kilometer dubbelspoor en 1.696 kilometer enkelspoor hersteld. Op het traject Amsterdam-Rotterdam reden alweer elektrische treinen. Tegen die tijd was er een Regerings-Vliegdienst gestart, en wel op drie lijnen: Amsterdam-Eindhoven-Limburg vv, Amsterdam-Twente vv en Amsterdam-Leeuwarden-Eelde vv, op elke lijn drie vluchten per dag (maar na 10 november minder in verband met de afgenomen daglengte) en per vlucht de mogelijkheid van driehonderd kilogram post en drie passagiers.

De postverbindingen hersteld, elektriciteitscentrales en gasfabrieken weer in bedrijf - er was weer licht in de schouwburg, weer gas voor het kookstel in de keuken. De fabricage van textiel en schoeisel kwam op gang de distributie werd geregeld.

De import van levensmiddelen steeg met sprongen, en ook de Nederlandse boer (hoewel hij pas laat had kunnen zaaien) begon zijn steentje weer bij te dragen.

Op Walcheren werden de dijken gedicht, in de Wieringermeer de laatste plassen weggepompt.

De voedingswaarde van het eten dat de gemiddelde Nederlander kreeg voorgezet, steeg van 450 calorieen per dag in maart tot 2.200 in september.

En van de achtergelaten explosieven was tegen het eind van het jaar negentig procent onschadelijk gemaakt. Daarvoor had de Dienst Opruiming Mijnen de beschikking gekregen over 3.300 sappeurs. Letterlijk uit de brochure: `Gemiddeld ruimt men er 70 a 100.000 per week ten koste van ongeveer 8 dooden en 15 gewonden (voor het overgroote deel Duitschers).' Als dit geen redactionele fout is, waren dat ook de kosten per week.

November '45 dus. Er rijden 30.000 vrachtwagens over onze wegen, en 29.000 personenauto's en 524 autobussen. Er zijn 330.000 telefoonaansluitingen en er worden maandelijks alweer 450.000 telegrammen verzonden. De gortpellerijen, de havermoutpletterijen, de spiritusfabrieken, de azijnfabrieken, de moutfabrieken de stijfselfabrieken en de mengvoederfabrieken draaien weer. Er worden weer dekens, lampen, werktuigen, banden, haarden, baggermolens en mottenballen gemaakt. De productie van sigaren en sigaretten schroefbouten en moeren, cacaopoeder, kunstmest, wol en gedestilleerde dranken groeit met de dag.

Bij dat laatste merkt de regeringsvoorlichtingsdienst voorzichtigjes op dat het door geheelonthouders wel niet als een vooruitgang zal worden beschouwd. Daarin proef je de invloed van socialisten.