Halloween

Op de avond van Halloween maken de Amerikanen elkaar voor de grap aan het schrikken. In New York, Manhattan, verzamelen zich op Sheridan Square hoek tiende straat, de heksen, gedrochten, vleermuizen, draken en geraamtes, en de eenvoudige doodskoppen van pompoenen met drie gaten.

Ze formeren zich tot een optocht die naar de 22ste straat loopt, Wah! en Woeh! roept, en zich dan weer ontbindt. Het is een griezelcarnaval zonder hoempa's, leuk om te zien, en voor een Europeaan soms verbazingwekkend, ook al is hij een kenner van het genre in de film, van Frankenstein tot Poltergeist I, II en III en The Blob. Hier zie je alles zonder tussenkomst van Hollywood op straat. Niemand die je belet mee te lopen met het hoofd van een Alien op je schouders of helemaal geen hoofd want er zijn ook extra-schouders te koop waarop alleen een bloederige stomp zit.

Omdat ik had gehoord dat er nog al wat Monica's en Bills te zien zouden zijn, heb ik in een paar winkels het aanbod geinspecteerd. Goedkoop is het niet. Een paar viervingerige handen met lange grafnagels, acht dollar; een gewoon lichtgevend Dracula-gebit, tien dollar; een eenvoudige nachtmerriekop met dubbele rijen tanden, veertig dollar; hoofdloze schouders met kijkgaten, tachtig dollar - maar dan heb je ook iets. Er zijn nog veel duurdere attributen zoals een doodskop die door middel van een reservoir, een slangetje en een handbediend perspompje bloed kan huilen; maar dan gaat het te ver de professionele kant op, en met zoveel beroepsmatigheid wordt de pret bedorven.

Een winkel had geadverteerd met de hoofden van Stalin, Hitler en Mussolini en daaronder de tekst: Some Monsters Are Too Evil Even For Halloween en vervolgens het alternatief geboden: ga deze keer eens als een HELD. En dan kon je als historisch figuur van beter kaliber de straat op. Door oorzaken die hieronder duidelijk zullen worden, heb ik die winkel niet bereikt. Me wel afgevraagd als welke historische figuur je de mensen dan wel op een fatsoenlijke manier aan het schrikken zou kunnen maken. Landru, Al Capone, Nero Robespierre, Alva? Er schoten me zo vlug verder geen helden te binnen. Bij Hitler ligt kennelijk de grens. Ik ben het ermee eens, en ik zou niet graag in de schoenen staan van degene die het er op wilde wagen.

Intussen had ik vier winkels met griezelpieterij achter de rug. Binnen een uur honderden mombakkessen, geraamtes en rottende gedrochten te zien heeft een eigenaardig effect. Ik wil niet zeggen dat er een slappe lach nadert, maar het gaat toch op een eigenaardige manier op je lachspieren werken.

Het is op den duur op een overstelpende manier kinderlijk: al die grote mensen die ernstig hun uitdossing voor Halloween uitzoeken zichzelf in de spiegel bestuderen terwijl ze een bewratte kobolt zijn dan het hoofd schudden, en besluiten tot twee grote hondenoren waarmee ze tevreden de winkel uitgaan.

Bill en Monica had ik niet ontdekt. Wel Kenneth, die bijna sprekend leek. Ik dacht aan Groucho Marx. Hij zit in de opera, achter een waardige dame in avondjurk. Hij zet een gruwelijk masker op, tikt de dame op de schouder en als ze omkijkt brengt hij zijn vreselijkheid vlak bij haar gezicht. Ze vertrekt geen spier, kijkt weer voor zich en volgt de voorstelling. Groucho verwisselt zijn masker voor een nog verschrikkelijker, tikt weer, dame kijkt even om en wijdt zich weer aan de voorstelling. Groucho bergt zijn maskers op, tikt opnieuw. De dame kijkt, verstard een fractie van een seconde, krijst en vlucht. Kenneth Starr had dus vrijwel zijn gewone gezicht, zij het in rubber. Misschien is dat wel de bedoeling.

Toen was het half drie. De tijd drong, want John Glenn zou over een half uur worden gelanceerd. Ik was in de 34ste straat en de winkel met de helden was nog verder. Overal opstoppingen, geen schijn van kans dat ik op tijd mijn eigen televisie zou bereiken tenzij ik met de subway ging, lijn 1, Pennsylvania station. Dat is een uitgestrekte ondergrondse ruimte met winkels, pizzabakkers en koffiebars. Van al dat winkelen had ik honger en dorst gekregen. In een koffiebar stond de televisie aan op CNN. Ik kocht een cappucino en een croissant en terwijl ik op z'n Frans het brood in de koffie doopte keek ik naar de gebeurtenissen. Bill was juist aan het woord gekomen.

Hij zag er gezond uit, ongeschonden, hij bewonderde en sprak hoop uit, prees de wetenschap, de moed der astronauten, het Amerikaanse volk, hij praatte en praatte, zijn wezen straalde het belang van het historisch ogenblik. Het personeel vergat de klanten en de klanten vergaten hun koffie. Het aftellen begon, werd gestaakt omdat er een ongeautoriseerd vliegtuig in de weg vloog, werd weer hervat, drie, twee, een, lift off, en daar ging de onwaarschijnlijke kerktoren rechtstandig de lucht in. Klanten en personeel barstten in applaus uit. Naast me zat een man, ongeveer even oud als de beroemde ruimtevaarder. Hij depte zijn ogen met het servetje van de koffiebar. Hij had een plastic zak bij zich. Ik keek erin: het masker van een toverheks.

Dit volk gaat nooit verloren.