Fukuyama's flirt met het feminisme treft geen doel

Diergedrag is geen goede verklaring voor het verschil in handelen van vrouwen en mannen, meent Martijn van Hennik. Het is nooit zeker dat alle voorwaarden voor het gedrag van dieren en mensen hetzelfde zijn.

Voor Francis Fukuyama ziet politiek er anders uit sinds hij er door de `lens van sekse en biologie' naar kijkt (NRC Handelsblad, 17 oktober). Nadat hij in zijn boek The End of History and the Last Man (1992) aan de hand van Hegel tot de conclusie was gekomen dat de liberale democratie het eindpunt is van de historische ontwikkeling van maatschappij en economie, lijkt hij nu een vervolg op de geschiedenis te hebben gevonden in de seksualisering ervan.

Feministisch geinspireerde literatuur over sekse en internationale politiek heeft Fukuyama de ogen geopend: hij wil de wereld niet langer verklaren met behulp van de Hegeliaanse tweedeling meester-slaaf, maar aan de hand van het onderscheid tussen de seksen. Het lijkt erop dat het feministische gedachtegoed hem nog maar sinds kort heeft bereikt.

`Vrouwen veroveren het schouwtoneel' luidt de triomfantelijke maar ook enigszins dreigende kop boven het artikel. Onder de indruk en misschien ook een beetje geschrokken van dit gedachtegoed wil Fukuyama de wereld meedelen dat het goed is wanneer er meer vrouwen aan de politiek deelnemen. Dit is althans alles wat van zijn artikel overblijft wanneer men het omgevallen boekenkastje erin opruimt. Op zich is het natuurlijk geen onaardige mededeling, maar Fukuyama heeft hiervoor zoveel woorden nodig dat men zich kan afvragen of zijn boodschap wel doel treft.

Fukuyama baseert zijn nieuwe theorie op gemakkelijke argumenten. Het sociale gedrag van chimpansees dient bij hem als verklaring voor de vraag waarom mannen en vrouwen zich verschillend gedragen in het sociale leven.

Dit is een redenering die men wel vaker hoort, bijvoorbeeld aan de borreltafel. Door het gedrag van dieren het liefst van mensapen, want die lijken zo op ons te bekijken, wordt menselijk gedrag verklaard volgens de drogreden dat `de mens afstamt van apen, dus wat apen doen is een elementaire vorm van menselijk gedrag'.

Diergedrag is misschien een aardige spiegel voor ons eigen gedrag, maar het verklaren van menselijk sociaal gedrag uit diergedrag lijkt mij een hachelijke zaak.

Ten eerste is het verklaren van sociaal gedrag van apen op zich al moeilijk genoeg. Ten tweede is het projecteren van dit gedrag op mensen lastig, omdat we nooit zeker kunnen zijn dat alle voorwaarden voor het dier- en menselijke gedrag hetzelfde zijn. Daarom kunnen we nooit een objectieve vergelijking maken - uiteindelijk zijn wij geen apen en kunnen we de apen ook niet vragen waarom zij zich gedragen zoals ze zich gedragen. Met de uitspraak “Kijk die aap eens een banaan eten, hij lijkt oom Francis wel' is natuurlijk niet gezegd dat oom Francis op een aap lijkt maar waarmee gezegd is dat menselijk gedrag in de aap wordt herkend.

Fukuyama legt wel een direct verband tussen het gedrag van apen en mensen,en gaat nog een stap verder door niet alleen het gedrag van de soort te vergelijken met de andere soort, maar ook door het verschil in sekse bij de ene soort te vergelijken met verschil bij de andere soort. En hij vergelijkt niet alleen, hij lijkt ook te willen verklaren als hij erop wijst dat vrouwelijke chimpansees coalities sluiten op emotionele gronden terwijl de mannetjes gewelddagige Realpolitik bedrijven op opportunistische gronden.

Dit verschil zou ook bij mensen bestaan. Mannen neigen tot agressieve oplossingen en vrouwen tot vreedzame, omdat zij zoeken naar overleg en naar een beteugeling van (mannelijke?) driften door `normen, wetten, afspraken, contracten enzovoort'. Dit is althans wat volgens Fukuyama `het feministische streven in de internationale politiek' beoogt.

Hoe zit het dan met de normen en wetten die op dit moment reeds bestaan? Die zijn toch niet allemaal door vrouwen opgesteld? Natuurlijk is het zo dat oorlogen tot nu toe vooral gevoerd werden door mannen.

Maar de conclusies over het gedrag van apen sluiten toch niet uit dat vrouwelijke leiders en bevelhebbers ook oorlog zouden voeren als zij dit nodig vinden? Om de vermeende vrouwelijke neiging tot minder machtsvertoon - die Fukuyama vooral bij apen waarneemt - te ondersteunen citeert hij een Amerikaans opinieonderzoek, waaruit blijkt dat vrouwen minder dan mannen voor militair optreden zouden kiezen als bijvoorbeeld Noord-Korea besluit Zuid-Korea binnen te vallen. Fukuyama schrijft dat dit verschil moeilijk te verklaren valt.

Eigenlijk vindt hij de verklaring voor het verschil helemaal niet relevant. “We hoeven echter de oorzaak van de correlatie tussen geslacht en antimilitarisme niet te kennen om te voorspellen dat bij een groeiende deelname van vrouwen aan het politieke bedrijf, de Verenigde Staten en andere democratieen waarschijnlijk minder tot machtsvertoon in de wereld geneigd zullen zijn dan voorheen', schrijft hij.

De lezer kan niet anders concluderen dan dat zijn enige argument hiervoor is dat vrouwtjesapen zich minder gewelddadig gedragen dan de mannetjes (overigens schrijft Fukuyama ook dat vrouwelijke chimpansees soms even gewelddadig en wreed kunnen zijn als de mannetjes).

Behalve van het gedrag van chimpansees is Fukuyama ook onder de indruk van het feministische ideaal dat ervan uitgaat dat vrouwen in hoge posities minder gewelddadig zullen zijn dan mannen en minder behoefte hebben aan machtsvertoon. Idealistische feministen nemen volgens hem bijvoorbeeld liever een voorbeeld aan Mary Robinson, voormalig president van Ierland en tegenwoordig Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, dan aan de voormalige Britse premier Margaret Thatcher.

Behalve dat er ook veel mannen zijn die een voorkeur hebben voor de politieke stijl van Robinson, is Thatcher bij uitstek een voorbeeld van een vrouw die niet minder geneigd was tot machtsvertoon dan mannen. Bovendien schuwde zij geen geweld. Lady Thatcher is voor feministen misschien een witte raaf, maar volgens mij is zij geen uitzondering die de regel bevestigd. Ook de Nederlandse vrouwelijke ministers gedragen zich in hun functie niet waarneembaar anders dan hun mannelijke collega's. Zij lijken zich in de vijver van het Haagse machtsspel als een vis in het water te voelen.

Voor Fukuyama staat het vast dat “seksebepaalde rolpatronen wortelen in onze genen.' Bij hem staat het biologische verschil als verklaring voor verschillend gedrag der seksen voorop. Het voert hier te ver om op het nature-nurturedebat in te gaan, maar onlangs benadrukten twee psychotherapeuten in deze krant nog eens dat mannen en vrouwen biologisch gezien meer op elkaar lijken dan dat zij van elkaar verschillen. Als men al biologische factoren wil gebruiken voor de verklaring van verschillend sociaal gedrag, dan moet men er terdege rekening mee houden dat vrouwen en mannen vooral hetzelfde gedrag vertonen.

Gek genoeg merkt Fukuyama aan het slot van zijn betoog op dat het de liberale democratieen zijn die “de biologisch bepaalde natuur beteugelen door middel van instituties, wetten en normen.' Hiermee lijkt hij het belang van het door hem genoemde feministische streven te ondergraven, want als de democratie de menselijke - als ik het goed begrijp vooral mannelijke - driften reguleert, waar hebben we dan nog een apart feministisch streven voor nodig?

Vooralsnog is voor Fukuyama de liberale democratie nog steeds zaligmakend.

Als wij zijn vertrouwen in deze staatsvorm delen zal als vanzelf de dominantie van de mannen worden beteugeld en zullen er meer vrouwen op hoge posities belanden.

Fukuyama heeft zijn flirt met het feminisme dus helemaal niet nodig om te komen tot wat de meesten van ons wel met hem eens zullen zijn: dat nog steeds verhoudingsgewijs te weinig vrouwen deelnemen aan het politieke leven.