Een sporthart is geen slecht hart

Is topsport ongezond? En is het toeval dat zoveel oud-voetballers overlijden aan hartproblemen? De voetbalbond gaat een databank aanleggen met medische gegevens van spelers.

Soms overlijdt een oud-voetballer, zo'n speler van wie we vroeger genoten en van wie we nooit hadden gedacht dat hij al rond zijn vijftigste of zelfs eerder dood zou gaan. Een hartstilstand nog wel. Namen van Nico Rijnders, Theo Laseroms, Jan Klaassens, Epi Drost, Roel Wiersma, Frans Swinkels, Piet Kruiver, Rene Notten en onlangs Charly Bosveld schieten te binnen.

En dan die oud-voetballers die hartproblemen kregen zelfs ons aller Johan Cruijff. Hij rookte veel en hij leefde onder spanning. Maar leven er niet meer mensen buiten de sport onder dezelfde omstandigheden, evenveel spanning, die veel meer roken, zelfs zwaar alcohol en drugs gebruiken, zonder sport, die gewoon zonder beperkingen lang doorleven? Cruijff had een vader die op jonge leeftijd aan een hartaanval overleed. Erfelijk dus, dat is toch wat anders.

Zo blijven medici die zijn betrokken bij voetbal in het duister tasten wanneer een oud-speler onverwachts overlijdt. Niet meer dan een ruwe schatting (ruim tien spelers in dertig jaar) kan bondsarts van de KNVB Frits Kessel, maken. “We vernemen dat er een is overleden, schrikken en daarmee houdt het op. We weten niet of hij is gestorven omdat hij voetbalde of door iets anders. Er zijn een miljoen voetballers in Nederland, een klein deel speelt betaald voetbal, wanneer een prof doodgaat haalt dat de krant. Hoeveel andere mensen sterven niet op dezelfde leeftijd?'

Binnenkort begint de voetbalbond met een onderzoek dat een begin zou kunnen geven van een verklaring voor de hartdoden in het voetbal. Vorig jaar ging de algemene vergadering akkoord met de plannen voor een centraal keuringsinstituut. Binnenkort wordt de medische afdeling uitgebreid en kan worden begonnen meer aandacht te geven aan zorg en nazorg van beroepsvoetballers.

Een databestand met medische en sociale gegevens, regelmatige keuringen en voorlichting voor aftrainen maken deel uit van de plannen. Pas wanneer die zijn verwezenlijkt, de clubs en spelers hun medewerking willen geven en er geld beschikbaar is, kan in de toekomst mogelijk een oorzaak worden gevonden voor hartinfarcten en lichamelijke afwijkingen onder profvoetballers.

“Een onderzoek moet uitgebreid en zeer intensief zijn', beseft Kessel. “We streven naar een databank met meerjarige gegevens. Alleen dan kun je bepalen of voor- en nazorg zin hebben. Maar zelfs na zo'n onderzoek is het moeilijk aantoonbaar dat de sport de doodsoorzaak is.'

Wim Mosterd, cardioloog en hoogleraar klinisch sportgeneeskunde aan de universiteit van Utrecht, onderkent het dilemma. Hij was in de jaren zestig bondsarts bij de KNVB. “Ruim twintig jaar geleden heb ik al vergeefs plannen aangezwengeld. Te overwegen valt de contractspelers een deel van hun salaris af te laten staan. Daarnaast heeft een databank alleen zin als de hele voetbalwereld meedoet. Want voetballers zijn zwervers. Zonder buitenlandse gegevens kun je weinig. Natuurlijk is met zo'n onderzoek niet gezegd dat hartdood bij ex-voetballers vermeden kan worden. We weten alleen iets over de mogelijke oorzaak.'

Cees Rein van den Hoogenband, orthopedisch chirurg en clubarts van PSV, kent het zwerversbestaan van voetballers: “Romario, Chovanec en Ronaldo zijn verdwenen naar het buitenland. Die gaan hun eigen gang bij hun nieuwe clubs met eigen medische begeleiding. Soms blijven spelers hun oude club bezoeken, maar de meesten verdwijnen uit het zicht en zoeken het zelf uit. Er is geen bestand en geen nazorg, adviezen aan spelers over aftrainen geef je nauwelijks.

Misschien moet het, maar wie zegt dat hart- gewrichts- en spierproblemen voorkomen kunnen worden door een databestand of door nazorg. Doden vallen niet alleen door voetbal.'

Piet Bon clubarts van Ajax, kan zich voorstellen dat oud-voetballers risico's lopen. “Het hele systeem past zich onder protest aan. Overgewicht werkt suikerziekte en hart- en vaatstoornissen in de hand.'

De oud-roeier zegt wel eens tegen voetballers die stoppen dat ze in beweging moeten blijven. “De meeste voetballers doen dat al uit zichzelf, Jan Wouters speelt nog bij de amateurs van AFC, anderen spelen op lager niveau of gaan tennissen. Voetbalbelasting is anders dan die bij triatleten en wielrenners. Die gaan dieper, meermalen in hun leven. Vele malen een overrekking van de hartspier kan fatale gevolgen hebben. Een databank en mogelijk zelfs een onderzoek is mooi, maar dan wel internationaal, met ondersteuning van de FIFA. Laten we oppassen niet te overdrijven. Het is heel tricky, want overal overlijden mensen door stress en overbelasting of omdat ze erfelijk belast zijn.'

Mosterd verwijst naar cijfers die jaren geleden in een onderzoek van Els Carriere bekend werden: 100 tot 150 mensen overleden in 1991 tijdens sportbeoefening, 130.000 mensen per jaar gingen in totaal dood, onder wie een of twee topsporters tijdens hun sportbeoefening. Mosterd: “Wat ik ermee wil zeggen is dat in Nederland niet alleen zo weinig actieve topsporters overlijden maar ook zo relatief weinig gestopte topsporters. Wil je een goede indicatie krijgen dan moet je breder gegevens verzamelen. Bij 60 tot 100 doden kun je conclusies trekken. Maar dan moet je ook kunnen beschikken over gegevens op hormonaal en cardiologisch gebied, over mogelijk hersenletsel en dopegebruik.

En dat over een groot aantal jaren. Belangrijk is ook lijkschouwing. Maar dat ligt ethisch weer gevoelig. Vraag maar eens aan familie van een overledene om binnen 48 uur te mogen obduceren. Bovendien moeten dan wel patholooganatomen met kennis van cardiologie en sportgeneeskunde het doen.'

Nazorg, onderzoek en begeleiding bestaat al bij zwemmers, wielrenners en in algemene zin bij NOC*NSF, weet Mosterd. “Zwemmers kunnen nog zeker twee jaar gebruik maken van de medische begeleiding van de bond. Ze kunnen gekeurd blijven worden en consult vragen bij lichamelijke en geestelijke problemen. Laatst overleed een oud-zwemmer. Medische gegevens konden worden opgevraagd. Mogelijk hebben ze baat gehad bij gegevens over zijn conditie als zwemmer. Het is niet per definitie van belang, maar het biedt aanknopingspunten.'

Babette Pluim, sportarts bij de tennisbond, noemt het voorbeeld van de wielrenners. “De internationale wielrenunie heeft een studie opgezet om de gevolgen van de zware wielersport na te kunnen gaan. In Nederland gebeurt dat in Veldhoven: wielrenners worden van jongs af vijf jaar gevolgd en gekeurd. Van alle wielrenners worden steeds hartecho's gemaakt. Maar in dit geval gaat het om duursporten en niet om een sport als voetbal.'

Pluim deed de afgelopen zeven jaar onderzoek naar het sporthart. Aanleiding vormde de dood door hartstilstand van meer dan tien wielrenners tijdens en na hun actieve loopbaan. Ze promoveerde vorige week op een proefschrift waarin ze stelt dat het sporthart (vergroot hart) geen grotere kans op hartstilstand heeft dan een normaal hart. Door jarenlange training is het hart van topsporters en in het bijzonder die van duur- en krachtsporters, sterk vergroot.

In vergelijking met een normaal hart kan die vergroting 45 procent bedragen. Vooral de linker hartkamer van een sporthart is groter.

Ook mensen die niet aan topsport doen, met een hoge bloeddruk en overgewicht kunnen een vergroot hart krijgen. Bij deze groep is aangetoond dat het een sterk verhoogde kans geeft op een hartaanval en in sommige gevallen ook fatale hartstilstand. Van niet-sporters met een ziekelijk vergroot hart en ernstige ecg-afwijkingen is de kans op dodelijke hartstilstand na twaalf jaar bijna zestig procent. Bij topsporters zou dit ook het geval kunnen zijn.

“Het sporthart is niet de oorzaak van hartaanvallen bij topsporters en ex-topsporters', meent Pluim. “Topsporters hoeven niet bang te zijn voor de vergroting van hun hart. Niet-sporters hebben tijdens zware inspanning een 56-voudig verhoogd risico op een plotse dood in vergelijking met een rustsituatie. Topsporters lopen tijdens zware inspanning slechts een vijf keer zo hoog risico. Het over all risico op plotse dood van topsporters is echter slechts veertig procent van dat van niet-sporters. Topsport is gezond.'

Maar het leven na topsport? Volgens Mosterd kan een centraal keuringsinstituut belang hebben. Onderzoek ook, maar dat moet zo neutraal, intensief en uitgebreid gebeuren dat het geld kost. En wie wil dat betalen? “Bij de meeste sportbonden heeft nazorg geen prioriteit. Voorlichtingssessies, ook over doping worden nauwelijks bezocht. Pas als een dode valt en de media opgewonden raken, wordt alarm geslagen. Zo'n tien spelers in dertig jaar zegt niet veel. Tachtig procent van alle overleden voetballers was waarschijnlijk hoe dan ook vroeg doodgegaan.'

Ook Pluim ziet heil in het opslaan van medische gegevens van profvoetballers.

“Het kan leiden tot het vinden van een oorzakelijk verband tussen doden in en na de sport. In Italie doen ze dat al. Daar worden topsporters, ook voetballers verplicht aan nauwgezette controles onderworpen. Het Italiaans olympisch comite beschikt over een databank van 947 topsporters met hartecho's en dergelijke. Ik heb dat voor mijn onderzoek gebruikt. In Italie is de arts die het onderzoek leidt ook aansprakelijk voor wat zijn sporter overkomt.'

Aan aftrainen wordt volgens Pluim te zwaar getild. “Een sporter zal de eerste weken nadat hij is gestopt, merken dat de hartslag verandert, ritmestoornissen. Hinderlijk maar niet schadelijk, gaat gewoon over. Niet aftrainen betekent niet een verhoogd risico op een hartdood. Afbouwen wordt aanbevolen, maar dat hoeft niet lang te gebeuren. Een dode ex-topsporter of ex-topvoetballer is allerminst een bewijs dan topsport slecht is. Sterker: eerder onderzoek heeft aangetoond dat een ex-duursporter zes jaar ouder wordt dan iemand die niet aan sport heeft gedaan. Topsport is dus niet ongezond.'