De geijkte eedsformule moet ter discussie worden gesteld

Het nieuwe Statenlid van Zuid-Holland, dr. J. Feddema (GroenLinks/Groenen), heeft onlangs bij zijn beediging geweigerd de tekst uit te spreken: `Zo waarlijk helpe mij God Almachtig'. Hij koos voor een variant en zei: `Zo waarlijk helpe mij God de Krachtige'.

Tevoren had hij overleg gepleegd met het provinciebestuur en dat had hem blijkbaar daarvoor toestemming gegeven. Zijn motief was dat het geloof in een almachtige God achterhaald is. Niet alleen zou de term militaristisch zijn, maar ook niet langer houdbaar. Indien God almachtig zou zijn, zou Hij immers wel hebben ingegrepen toen de joden massaal vergast werden tijdens de holocaust.

Feddema wil hiermee een discussie op gang brengen over wijziging van de eedsformule. Dat is terecht, want inderdaad is het geloof in de almacht van God aan het wankelen gebracht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft reeds de Duitse theoloog Dietricht Bonhoeffer de nadruk gelegd op de zwakheid van God en het mee-lijden van God in solidariteit met de lijdende mensen. Daarbij sloot hij aan bij de apostel Paulus, die in de eerste Corinthe-brief reeds schrijft dat het zwakke van God sterker is dan de mensen. Hij betrekt dat op het lijden en sterven van Jezus Christus.

De term uit het Credo waar in het Latijn het betreffende geloofsartikel luidt: `credo in unum Deum omnipotentem', wekt dan ook bij veel gelovigen vandaag weerstand zo niet weerzin. Zij willen per se geen omnipotente God, omdat dat met name associaties oproept met een patriarchale vadergod. Andere eigenschappen van God nieten dan ook vandaag de voorkeur, zoals zijn liefde, barmhartigheid en rechtvardigheid.

De wens van Feddema is dan ook heel begrijpelijk. Toen ik in april 1995 geinstalleerd werd als Statenlid (GroenLinks) in Noord-Holland had ik hetzelfde gevoel en diende dan ook een soortgelijk verzoek in bij de commissaris der koningin. Dit werd echter afgewezen, want, zo stelde de commissaris, de wet staat geen andere keuze toe.

Inderdaad, de Provinciewet kent (art.14) slechts twee teksten, respectievelijk voor de eed en de belofte. De term `God Almachtig' ligt dus wettelijk vast.

Ik heb toen voor de belofte gekozen, maar wel uitdrukkelijk daarbij verklaard dat ik wel in God geloof, maar niet in God Almachtig en dat de wet mij niet toestond van de vastgelegde formulering af te wijken.

De Provinciale Staten van Zuid-Holland staan nu wel voor de vraag of zijn installatie geheel voldoet aan de wettelijke voorwaarde. Zij zullen dat probleem moeten oplossen. In de praktijk blijken sommige gemeenten dus moslims toe te staan `Alla' in plaats van `God' te zeggen. Er zijn dus precedenten. De SGP-fractie in de Tweede Kamer heeft inmiddels vragen gesteld aan de ministers Peper en Korthals over de rechtsgeldigheid van de eedsaflegging door Feddema.

Belangrijk is dat de geijkte eedsformule ter discussie komt. Het ligt op de weg van regering en parlement het initiatief te nemen tot wetswijziging. Destijds, zo'n 80 jaar geleden, is de wet gewijzigd om het afleggen van de belofte mogelijk te maken. Dat gebeurde onder invloed van gewijzigde omstandigheden. Het ging om erkenning van het feit dat het geloof in God niet meer als vanzelfsprekend mocht worden gezien.

Zo zal nu onder invloed van gewijzigde geloofsopvattingen de formulering meer open moeten worden. De wetgever zal de mogelijkheid moeten openen de eed af te leggen in naam van bijvoorbeeld God de liefdevolle, de vredelievende, de eeuwige of de barmhartige. Dat laatste is ook voor moslims belangrijk, want hun geloof in God benadrukt eerder zijn barmhartigheid dan zijn almachtig karakter. Een eventuele vervanging van `God' door `Allah' zou voor moslims mogelijk moeten zijn.

Er is niets op tegen daarvoor individuele ruimte in de formulering te scheppen. Men zou er ook voor kunnen kiezen simpelweg een nadere kwalificatie van de aard van God weg te laten.

Een en ander vraagt niet alleen een wijziging van de Provinciewet, maar ook van al die wetten, waarin regelingen zijn getroffen voor de eedsaflegging. Ze geldt immers niet alleen voor Statenleden, maar bijvoorbeeld ook voor parlementsleden, leden van gemeenteraden, rechters en advocaten en bepaalde ambtenaren, zoals politiefunctionarissen. Het wordt tijd dat gewijzigde geloofsopvattingen doordringen in de juridische kaders. Het is goed dat Feddema dit aan de orde heeft gesteld. Regering en parlement zijn nu eerst aan zet.