DE DOOD VAN J. 2

In uw artikel `De dood van J.' (W&O, 24 oktober) beschrijft u een huisarts die volgens u ten onrechte door het Medisch Tuchtcollege is veroordeeld gezien de heftige discussies die deze veroordeling bij collega-huisartsen heeft teweeggebracht.

Het werken als huisarts is beslist niet eenvoudig, omdat vaak in korte tijd en zonder de steun van hulponderzoek, zoals bloed- en rontgenonderzoek, een oordeel moet worden gevormd over de mogelijke achtergronden van de klachten van de patient en het te volgen beleid. De discussie of een bepaald onderdeel van het lichamelijk onderzoek, in dit geval de percussie van de thorax, al of niet betrouwbaar is, is niet zo van belang. Het is eerder van belang een oordeel te vormen op grond van zoveel mogelijk aanwijzingspunten. Mijns inziens is de percussie een onderdeel van het geheel.

Uit het artikel kan ik slechts twee dingen opmaken: ten eerste dat de genoemde huisarts de ernst van de ziekte van J. heeft onderschat door geen gebruik te maken van enkele belangrijke aanwijzingspunten, bijvoorbeeld het feit dat de jongeman volgens zijn ouders hallucineerde. Dit alarmerend gegeven rechtvaardigt altijd nader onderzoek naar de achterliggende oorzaak.

Of deze verkeerde schatting van de verschijnselen door de huisarts een veroordeling nu wel of niet rechtvaardigt, kan ik uit het artikel niet opmaken. Wel, en dat is het tweede punt, dat er op tendentieuze gronden stelling wordt genomen tegen het functioneren van het Medisch Tuchtcollege en dat is, volgens mij, wel verwijtbaar.