DE DOOD VAN J. 1

In zijn artikel `De dood van J.' (W&O, 24 oktober) over de kritiek op het oordeel van de medische tuchtcolleges citeert Wim Kohler de juristen Bakker en Sluyters-Hamburger, die de reactie van voorzitter en secretaris van het Centraal Medisch Tuchtcollege op de briefschrijvers in Medisch Contact kritiseerden: ``Een tuchtrechter mag niet reageren, want als zijn bijdrage er in een discussie volgend na een uitspraak toe doet is onduidelijk welke betekenis de uitspraak nog heeft. Daarmee wordt de rechtszekerheid aangetast (...).'

Ervan uitgaand dat de voorzitter en de secretaris van het Centraal Medisch Tuchtcollege zich van bovenstaand juridisch gevaar van het (zich uit)spreken bewust waren, moet er iets zeer sterks zijn geweest dat hen hier toch toe heeft doen overgaan. Te denken valt hier aan een emotie bijvoorbeeld die van gene of van (schuld)besef over het ontstane inzicht dat het oordeel van het onderhavige tuchtcollege inderdaad onjuist was geweest. Dat het Centraal Medisch Tuchtcollege op grond van slechts een gekritiseerde tuchtrechtuitspraak zou reageren is niet aannemelijk. Dit hangt vermoedelijk samen met het grote aantal (terechte?) klachten uit de afgelopen jaren over het oordeel van tuchtcolleges, gegeven de frequentie waarmee hierover in Medisch Contact wordt gecorrespondeerd. Het gaat daarbij - dat blijkt uit het bovenstaande geval - nu eenmaal niet om een uitsluitend juridische aangelegenheid doch ook om een medische waarin het aspect redelijkheid dient te zijn verdisconteerd.

De tuchtcolleges dienen zich ervan bewust te zijn dat oordelen zoals het onderhavige sterk zullen bijdragen tot wat genoemd wordt: defensieve geneeskunde. Daarin wordt klinisch inzicht waardeloos. Immers geen enkel risico mag worden genegeerd, iedere patient waarover maar enige twijfel bestaat wordt `ingestuurd' en het aantal onderzoeken stijgt exponentieel. Dat dit grote consequenties voor de kosten van de gezondheidszorg zal hebben behoeft geen betoog.