De boer en de bulldozer; Reformasi en guerrilla in de Javaanse desa

Duizenden landloze boeren op Java kruipen plotseling uit hun schulp. Ze bezetten lappen grond. Het is onder meer land dat ex-president Soeharto zich toeeigende om een eigen ranch te beginnen. De Indonesische autoriteiten weten niet goed wat ze met de opstand aanmoeten. Opnieuw verdrij- ven of de boeren hun land laten.

Terwijl hij voorzichtig de jonge rijstaanplant verzorgt, moet Pak (meneer) Sanur grijnzen. De vraag was waar het irrigatiewater vandaan komt dat in een dun stroompje langs zijn akker loopt. “Dat komt van boven' zegt hij met een scheef lachje. Sanur verwijst niet naar de overvloedige regens die hier nu dagelijks neerdalen. Hij bedoelt dat het water illegaal wordt afgetapt van twee grote reservoirs, hogerop gelegen op de bergrug. De reservoirs zijn eigendom van de Tri-S Tapos ranch, de 751 hectare tellende veehouderij van ex-president Soeharto.

Water is echter niet het belangrijkste wat Sanur en zijn dorpsgenoten zich hebben toegeeigend. Vijf maanden geleden, kort na het plotselinge aftreden op 21 mei van de Indonesische autocraat, maakten ongeveer zeshonderd boeren van de desa Pancawati zich meester van Leuweunglaranang. Dit is een 150 hectare tellende uitloper van de Gunung Pangrango, een in eeuwige nevels gehulde vulkaan in West-Java, die onderdeel is van Tapos.

Pak Sanur hangt een zwarte rijstpan boven een houtvuurtje en gaat zitten onder het bamboe afdak daarnaast. Het is koel hierboven. Af en toe komen dorpsgenoten langs die op weg zijn naar hun pas verworven lager gelegen velden. Sanurs land ligt boven op de bergrug; de vallei aan de ene kant is bewerkt door boeren van zijn dorp. Daar staat jonge aanplant van boontjes, kool, tomaten cassave en rijst. In noordoostelijke richting zijn de hoge kassen zichtbaar waar Tapos - zoals de boerderij in de wandeling wordt genoemd – sinds twee jaar paprika's en tomaten kweekt voor de supermarkten van het zestig kilometer verderop gelegen Jakarta. Af en toe schallen stemmen over en weer, verder is het stil. De vallei aan de andere kant van de bergrug is nog een dichtbegroeide wildernis van woudreuzen en prehistorisch uitziende koningsvarens.

“Ik heb geen land gestolen', zegt Sanur, terwijl hij een knetterende kreteksigaret aansteekt. “De twee hectaren die ik hier de afgelopen maanden heb ontgonnen, behoren mij toe.' Tot 1980 bezat hij een paar kilometer verderop twee hectare land. Daar verbouwde hij rijst en bananen tot de bulldozers kwamen van P.T. Rejo Sari Bumi, het bedrijf dat de boerderij voor Soeharto runt. Tapos had in 1980 land nodig om onderkomens te bouwen voor Soendanese landarbeiders. “Het was vlak voor de oogst', vertelt Sanur. “Ik was in een klap alles kwijt. Het enige wat ik kon doen was huilen van machteloze woede. Ik was maar een kleine boer en de bulldozers waren eigendom van de machtigste man van het land: iedereen was bang voor hem, wat kon ik doen? Maar dat is voorbij. Nu is het tijdperk van reformasi aangebroken. We zijn niet bang voor onze nieuwe president Habibie. We zijn ook niet stom meer. We zien dat Jakartanen de streek binnenkomen met hun vakantiehuizen. En we weten dat we recht hebben op land.'

Golfbanen

Sanur heeft nog geluk gehad dat hij tot 1980 zijn land kon bewerken. De meeste boeren in het gebied raakten hun grond al omstreeks 1972 kwijt, toen Soeharto zijn omstreden Tapos-project begon. De grond voor Tapos, later zijn favoriete buitenverblijf, verwierf hij door de lokale boeren eenvoudig van hun land te zetten. Tapos werd een symbool voor de rechteloosheid gedurende de Soeharto-jaren. Net als de president ging ook de rest van de heersende elite weinig scrupuleus om met de rechten van kleine grondeigenaren. Vooral op het overbevolkte Java zette dat kwaad bloed.

Toen eind mei met het vertrek van Soeharto een eind leek te komen aan 32 jaar repressie, gebeurde er iets wat weinigen hadden kunnen voorspellen: op heel Java kwamen duizenden landloze boeren in actie.

De landbouwer of petani, die onderaan staat in de feodale Indonesische cultuur, wordt vaak beschouwd als een incarnatie van fatalisme, van het zich schikken in zijn lot. Maar nu eindelijk kwamen de boeren in beweging.

Hun eerste wens betrof niet zoiets abstracts als meer democratie, maar: een stuk land. Een lapje grond van een halve hectare is voldoende om een gezin van vijf personen te onderhouden. Dus stroomden diezelfde tot dan toe passieve boeren massaal de talrijke locaties binnen die bestemd waren voor projectontwikkeling of industrie maar braak lagen wegens de economische crisis. Ze eisten ook golfbanen op: aangezien er geen nuttige gewassen op groeiden, beschouwen de boeren ze als braakliggend terrein. In sommige gevallen moesten verschrikte golfers in allerijl de greens verlaten om te ontkomen aan de spontane volkswoede.

Overal begonnen de boeren direct met het verkavelen en bewerken van het land. Ook delen van Soeharto's boerderij Tapos gingen in deze eerste weken van het reformasi-tijdperk over in handen van boeren die nu zeggen dat zij de rechtmatige eigenaren zijn van dat land.

Euforie

De minister van Landbouw, Hasan Basri Durin, verklaarde aanvankelijk dat het, nu hongersnood dreigt voor veel Indonesiers toegestaan is om ongebruikt land te bewerken. Gedurende de verwarrende eerste weken na het aantreden van Habibie keken de autoriteiten passief toe hoe de euforie van de agrarische reformasi zich voltrok. De natie verkeerde in een shocktoestand: Jakarta was geplunderd door het stadsproletariaat en de man die ruim drie decennia met ijzeren vuist had geregeerd, was weg. En het altijd zo oppermachtige leger leek ineens zo machtig niet meer.

De heersende elite van hoge ambtenaren, grote zakenlieden en topmilitairen, had tijd nodig om zich te hergroeperen in de nieuwe politieke werkelijkheid onder Habibie, voorheen Soeharto's acoliet. De boeren werden met rust gelaten en deden wat boeren in dat geval plegen te doen: zij begonnen het land te bewerken.

Intussen lijkt het gezag in Indonesie weer bij zijn positieven te komen. De autoriteiten doen wat autoriteiten plegen te doen: zij proberen de orde te herstellen. Maar dat gebeurt wel selectief. Zo liet Habibie afgelopen week bekendmaken dat hij een drieduizend hectare tellend bosgebied, dat Soeharto vorig jaar per decreet toekende aan zijn zoon Bambang Trihadmodjo, zal onteigenen. De oude president zelf blijft echter buiten schot. Een aangekondigd onderzoek naar mogelijke corrupte praktijken van Soeharto komt bijvoorbeeld niet van de grond.

Sterker nog: de huidige Indonesische regering beschermt de belangen van Habibie's voormalige patroon, als het moet met behulp van de sterke arm van de strijdkrachten. “Dat geldt zeker in de streek waar Tapos ligt', zegt M.H. Sinaga, de voorzitter van het bureau voor rechtshulp in Bogor. Sinaga's organisatie vormt de motor achter het boerenverzet in de streek. Het bureau voor rechtshulp ijvert al jaren tegen de verschillende grote landgoederen in de streek die eigendom zijn van leden van de Soeharto-clan.

Om zijn verhaal te illustreren wijst Sinaga de weg naar het huis van Pak Haji Abdullah in de desa Gunung Geulis. Het huis ligt hoog boven een weidse vallei en biedt uitzicht op een luxueus hotelcomplex-met-golfbaan en buitenhuisjes genaamd Bukit Pelangi, ofwel Rainbow Hill. Lidmaatschap kost 150 miljoen roepia ofwel (op dit moment) zo'n 36.000 gulden per jaar.

“We zijn er nog niet achter welk lid van de presidentiele familie precies eigenaar is van dit complex', zegt Sinaga, “maar in ieder geval heeft de familie zich hier in 1993 zo'n 450 hectare grond toegeeigend. Toen Soeharto aftrad, hebben wij de boeren laten weten dat de tijd was gekomen om het land van de familie terug te nemen. Dat is ook hier gebeurd.' Maar in augustus zijn de boeren weer met geweld van hun pas ontgonnen akkers afgezet. Nu, zegt Sinaga, voert een deel van de boeren een soort guerrilla door toch door te gaan met het verbouwen van kleine stukjes land van Bukit Pelangi.'

Haji Abdullah volgt het gesprek met lege blik, terwijl hij het stompje streelt waar eens zijn linkerhand zat. Die hand verloor hij toen hij trachtte zijn land te verdedigen tegen de indringers. Een van de bewakers van het project bewerkte hem met een kapmes, waarna hij zijn hand moest laten amputeren.

Studenten

Het bureau voor rechtshulp organiseert niet alleen acties. Volgens Sinaga is belangenbehartiging via instituties als het lokale en nationale parlement en de Nationale commissie voor de rechten van de mens een belangrijk onderdeel van zijn werk. Maar ook heeft het bureau al in het vorige decennium de organisatie Indonesische Boeren Solidariteit (STI) opgericht. Daarvan zijn overigens voornamelijk studenten lid, die boeren ervan bewust maken dat zij rechten hebben, hen bijstaan in het halen van dat recht en ook nauw betrokken zijn bij de terugvorderingsacties. “Er zijn sinds mei ook boeren lid geworden. Het is de bedoeling dat STI uiteindelijk uitsluitend een boerenorganisatie wordt, die bijvoorbeeld ook landbouwcooperaties opzet om goedkoop kunstmest en zaden te kunnen kopen.

We zijn bovendien bezig met het opzetten van afdelingen in Midden-Java en in Lampung, Zuid-Sumatra. Er bestaat al wel een Nationale Boeren Vereniging, maar die heeft een totaal ander karakter. Zij doen niet aan dagelijkse belangenbehartiging zoals STI.'`

Rechtszaken spant het bureau voor rechtshulp niet aan in het kader van het terugvorderen van land. “Dat heeft geen zin', zegt Sinaga. “Boeren vertrouwen de rechters niet.' Het cynisme van de rechterlijke macht kent geen grenzen, vindt hij. “Toen de mensen van dit dorp in 1993 een klacht indienden tegen de grondonteigening, werden zij veroordeeld tot een fabuleuze boete van zeshonderd miljoen roepia. Dat was volgens de rechters een schadevergoeding voor de vertraging die het project door hun demonstraties zou hebben opgelopen.' Sinaga's collega Jauhari is beroepsactivist. In de dorpen is hij de eigenlijke coordinator van boeren en studenten. Sinds enige weken loopt er een arrestatiebevel tegen hem wegens opruiing, maar hij haalt zijn schouders erover op: “Je moet gewoon zorgen dat je niet twee nachten op dezelfde plaats slaapt.' De tactiek van de Soeharto-clan is steeds dezelfde, zegt Jauhari: “Eerst laten ze mensen een paar maanden al hun geld en energie steken in het bewerken van de grond. Net als de boeren hoopvol beginnen uit te kijken naar de oogst, worden de akkers vernietigd. De bedoeling is de bevolking te demoraliseren. In Leuweunglaranang zijn de mensen tot nu toe nog met rust gelaten, maar het management van Tapos zet nu de politie in om de boeren te verdrijven van Cibedug, de andere desa die land van Soeharto heeft teruggevorderd.'

Landhonger

Cibedug is een desa zoals er duizenden zijn op Java.

Met aan de hoofdweg eethuisjes winkeltjes en moskeeen, de onvermijdelijke pangkalan ojek, een soort hangplek voor brommertaxi's, en verder daaromheen eenvoudige huizen met door kippen bevolkte erfjes, afgewisseld met kleine tuinen waar bananen of papaya's groeien. De desa telt zo'n vijfhonderd gezinshoofden. Omdat deze nauwelijks luisteren naar de staatscampagne voor geboortebeperking (`Dua Cukup' ofwel `Twee kinderen is genoeg') wonen er in het dorp naar schatting zo'n vier- tot vijfduizend mensen. Onder hen bevinden zich veel landloze boeren en, sinds de crisis, nog meer werklozen die in het kader van een andere overheidscampagne zijn weggestuurd uit Jakarta. Er is wel becijferd dat het aantal armen in landbouwgebieden op Java sinds de economische ineenstorting van het land in juli 1997 is vervijfvoudigd tegelijkertijd is de `landhonger' toegenomen. Veel mensen vertrouwen niet meer op de geldeconomie maar streven naar het bezit van een stuk grond. In Cibedug keken de mensen, net als in het verderop gelegen Pancawati naar uitgestrekte hectaren van Soeharto's ranch die grenst aan het dorp.

Het land waar zo'n honderd boeren omstreeks 15 juni beslag op legden, lag niet braak, zoals bij Pancawati. Volgens de manager van Tapos de Balinees I Made Soewecha, groeide er mais. Dat blijkt uit een brief aan de Bupati van Bogor, het lokale bestuurshoofd, waarin de manager op 25 juli dit jaar reageert op vragen van de Nationale commissie voor de rechten van de mens. Made, die weigerde met de buitenlandse pers te spreken, zet in de brief uiteen dat de P.T. Rejo Sari Bumi in 1975 van de minister van Binnenlandse Zaken het gebruiksrecht verwierf voor Tapos tot het jaar 2000 met recht op verlenging.

Drie jaar eerder hadden bulldozers en soldaten de boeren al van hun land gezet.

In de Nederlandse tijd was het gebied in erfpacht uitgegeven aan de N.V. Cultuur Maatschappij Pondok Gede, die er kinine- en rubberplantages onderhield. In 1958, toen het conflict tussen Nederland en Indonesie over Nieuw Guinea escaleerde, werd de plantagemaatschappij genationaliseerd, net als alle andere Nederlandse bedrijven die nog actief waren in Indonesie. Het Staatsplantagebedrijf nummer IX werd formeel eigenaar en uit een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 23 juni 1975 blijkt dat P.T. Rejo Sari Bumi het gebruiksrecht van de plantage verwierf voor slechts zes miljoen roepia (toen ongeveer 35.000 gulden; nu ongeveer 24.000 gulden). Jaarlijks betaalt Rejo Sari Bumi de staat voor het gebruik van het land het symbolische bedrag van 75.200 roepia (nu: achttien gulden).

De mensen van Cibedug claimen de oorspronkelijke eigenaars te zijn maar kunnen geen certificaten tonen om dit te bewijzen. Ze zeggen dat zij het land van Indonesies eerste president Soekarno gekregen hebben als dank voor hun hulp in de jaren vijftig bij het neerslaan van een opstand in het gebied van Daerul Islam. Dat was een fundamentalistische moslimbeweging die streefde naar een islamitische staat.

Het standpunt van het Tapos-management is dat de boeren altijd al illegaal het land van de ranch bewerkten en dus ook nu buiten de wet handelen. Manager Made vraagt de Bupati op 25 juli om het veiligheidsapparaat in te schakelen om de boeren te verwijderen: zij handelen “zowel tegen de staatswetten als tegen de wetten van de godsdienst'. Maandag 12 oktober komt de politie in actie. Op die dag verschenen bij de akkers van de Cibedug-boeren drie vrachtwagens gevuld met politiemensen uit Bogor en landarbeiders van Tapos.

In een busje komen bovendien tien kiai ofwel islamitische schriftgeleerden, mee. Zij vertellen de boeren, stuk voor stuk vrome moslims, dat de Koran het stelen van land verbiedt. De politie tracht vervolgens Jauhari, de coordinator van het bureau voor rechtshulp uit Bogor, te arresteren. Maar de boeren verhinderen dat. Jauhari weet samen met een student op een motorfiets te ontkomen, maar de boeren worden met geweld van hun grond afgezet.

De autoriteiten in Jakarta lijken nu een tweesporenbeleid te voeren ten aanzien van Tapos. Lokaal wordt opgetreden tegen de boeren van Cibedug. Tegelijkertijd, zo bleek afgelopen week, stelt het openbaar ministerie onder druk van de publieke opinie formeel een onderzoek in om te achterhalen in hoeverre Soeharto onwettig gehandeld heeft bij het verwerven van de ranch. Tot veler verbazing onthulde de general manager van P.T. Rejo Sari Bumi Dahril Irsan, donderdag dat oud-president Soeharto helemaal niet de eigenaar is van dit bedrijf, maar zijn kinderen. En de woordvoerder van het openbaar ministerie, Barman Zahir, beaamde dit tegen de krant Republika. Het OM gaat nog onderzoeken of er wellicht sprake is geweest van handjeklap, corruptie of nepotisme, aldus Zahir.

Pak Sanur onder zijn bamboe-afdak boven op de bergrug van Leuweunglaranang, is er helemaal niet gerust op dat het Tapos-management hem en zijn dorpsgenoten met rust zal laten. “Eerder, vlak voor het vertrek van Soeharto, heeft Made me gevraagd bij Tapos te komen werken als bewaker. Hij stuurde een van die corrupte schriftgeleerden op me af. Ik heb gezegd: `Wat doet een kiai op Tapos? Je hoort in een moskee te zitten.' Vervolgens wilde Made het met ons op een akkoordje gooien: hij zou ons gereedschap, zaden kunstmest en insecticiden geven.

In ruil daarvoor moest tachtig procent van de opbrengst naar Tapos. Alsof we daar intrappen!' Volgens Jauhari zijn de boeren van Pancawati tot nu toe met rust gelaten omdat de autoriteiten niet goed weten wat ze met hen aanmoeten. De mannen van het dorp zouden de bijzondere eigenschap bezitten dat zij onkwetsbaar zijn voor kogels. Sanur bevestigt dit. “Bovendien zijn wij onderling zeer solidair, kompak. We hebben god gezworen dat als de politie aan onze grond durft te komen, dat wij dan Tapos tot de grond toe zullen afbreken.'