De bevrijder van de schilderkunst

Tentoonstelling: Avery Preesman. Kunstcentrum Hengelo.

Onder museumdirecteuren is het werk van Avery Preesman (Curacao 1968) bijzonder geliefd. Jan Hoet nodigde hem enkele jaren geleden uit voor een solotentoonstelling in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent Rudi Fuchs selecteerde zijn werk voor de tentoonstellingen `Couplet IV'en `Sublieme Vormen' in het Stedelijk Museum en vroeg hem vorig jaar bovendien een bijdrage te leveren aan de `Europarte'-expositie tijdens de Biennale van Venetie. De Amsterdamse museumdirecteur noemde Preesmans schilderijen toen puriteins: “Ze zijn bijna pijnlijk om naar te kijken en ze bieden geen valse hoop. Jong als hij is, Preesman is een schilder op wie de serieuze kunst kan vertrouwen.'

Lovende woorden klonken vorige week zaterdag ook uit de mond van Chris Dercon, directeur van Museum Boijmans Van Beuningen en juryvoorzitter van de Theo Wolvecampprijs. Preesman is de eerste schilder die de tweejaarlijkse stimuleringsprijs van veertigduizend gulden, genoemd naar de beroemdste kunstenaar die Hengelo voortbracht, in ontvangst mocht nemen. Dercon roemde de “open en eigenzinnige manier waarop Preesman nieuwe paden bewandelt' en zijn “onhollandse bevreemdende koloriet en associatieve symboliek waarmee hij de Nederlandse schilderkunst bevrijdt van het pure optische verleiden en een nostalgisch verlangen naar vroeger.'

Het is niet niks als je als jonge kunstenaar de bevrijder van de Nederlandse schilderkunst wordt genoemd, zeker niet voor iemand die oorspronkelijk een carriere in de horeca beoogde en later als autodidact werd aangenomen bij Ateliers '63. Maar zo'n succesvolle start wekt ook hoogespannen verwachtingen die waargemaakt dienen te worden. Gezien zijn bescheiden presentatie in het Hengelose Kunstcentrum, bestaand uit twee grote schilderijen, drie objecten en verschillende kleine doeken, lijkt al die positieve aandacht voor Preesman eerlijk gezegd wat overtrokken.

Imponeerde Preesman op de tentoonstellingen in het Stedelijk nog met woeste schilderijen waarin eieren, kokosnoten, koffiebonen en kiezelstenen - verwijzingen naar zijn exotische geboortegrond - verwerkt waren in Hengelo is de schilder veel terughoudender te werk gegaan. De kleine schilderijtjes zijn niet meer dan eenvoudige studies, waarbij met een scherp voorwerp grillige lijnen in de verf zijn gekrast of met een paletmes Richteriaanse streken over het doek zijn getrokken. In sommige voorstellingen is een landschap te herkennen, met donkere wolken boven besneeuwde velden, maar de meeste werken zijn abstracte composities waarin met vormen en materialen is geexperimenteerd.

Preesman schildert op een heel intuitieve en ongedwongen manier, haast vergelijkbaar met de wijze waarop de Amerikaanse action-painter Jackson Pollock zonder vooropgezet plan verf op zijn doeken kwakte. Ook zijn sculpturen, die doen denken aan verweerde steigers of vervallen bankjes in een stadspark, geven blijk van die enthousiaste werkdrift. Gretig heeft Preesman het gips in lagen over elkaar heen gesmeerd, waardoor zijn beelden er als een vochtige druipgrot uit zien.

Als er iets duidelijk wordt op de tentoonstelling in Hengelo, dan is het dat de wilde schilderstijl van Avery Preesman zich niet leent voor kleine formaten. Zijn werk moet het hebben van grote gebaren en niet van gepriegel op de vierkante centimeter. De recente presentatie van Preesman in De Ateliers, waar de kunstenaar twee indrukwekkende aardekleurige schilderijen en een soort liggende vakwerkmuur van beton en bielzen liet zien, was in dat opzicht beter geslaagd.