AOW loopt gevaar door de lage rente; Spaarfonds krijgt 60 mld minder

De lage rente bedreigt de opbouw van het Spaarfonds AOW, dat cruciaal is voor de financiering van de oudedagsvoorziening in de volgende eeuw. De AOW-spaarpot, die deels wordt gevoed met rente-inkomsten, loopt bij de huidige rente 60 miljard gulden mis.

Dit blijkt uit op verzoek van deze krant gemaakte actuariele berekeningen van het effect van de recente rentedaling op de omvang van het Spaarfonds AOW. Het fonds werd vorig jaar ingesteld om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Om de financiele buffer voor de AOW ook met de lage rente op peil te houden moet de regering de jaarlijkse storting in het AOW-fonds met 1,6 miljard gulden verhogen.

De Algemene Ouderdoms Wet (AOW) geldt in de politieke en maatschappelijke psychologie als een pilaar van de naoorlogse verzorgingsstaat. De betaalbaarheid ervan is een grote politieke zorg. De AOW-uitkeringen worden gefinancierd volgens het omslagstelsel: wie nu werkt betaalt voor wie nu rust.

Vooral na 2010, als de kinderen van de naoorlogse geboortegolf vijfenzestig worden, neemt de druk op de AOW toe. Door de vergrijzing moeten de werkenden voor steeds meer ouderen de premies opbrengen.

Het paarse kabinet wil de toekomstige AOW-lasten allereerst opvangen door het begrotingstekort te verkleinen. Op zijn laatst in 2006 moet dat geheel zijn weggewerkt.

Maar de zogeheten rentevrijval, die ontstaat doordat er geen geld aan rentebetalingen meer hoeft te worden uitgegeven, is niet voldoende. Daarom is het Spaarfonds AOW in het leven geroepen. Het paarse kabinet ziet dat als een belangrijk middel om de ouder wordende kiezers gerust te stellen.

De regering doet jaarlijks in het AOW-fonds een storting, die ieder jaar met 250 miljoen gulden oploopt tot een bedrag van 7,3 miljard in 2010. Het AOW-fonds `belegt' de gelden in schuldpapier van de Nederlandse staat waarbij voor de komende jaren wordt gerekend met een rente van 6 procent.

Bij dit percentage komt het eindbedrag in de AOW-pot in 2020 op zo'n 288 miljard gulden.

In dat jaar wordt begonnen met uitbetalingen. De rente schommelt op dit moment echter rond de vier procent. Als dat zo blijft, komt het eindbedrag op 228 miljard gulden. Dat scheelt 60 miljard gulden voor de financiering van de oudedagsvoorziening. De regering heeft zich overigens nooit vastgelegd op de omvang van een eindbedrag, alleen op de omvang van de stortingen.

Als de regering het eindbedrag wel zou willen garanderen, kost dat structureel 1,6 miljard gulden extra. Dat bedrag is nog wat hoger dan de voorgenomen en omstreden bezuinigingen van het kabinet-Kok op Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie. De storting zou dit jaar dan uitkomen op 5,9 miljard gulden in plaats van 4,3 miljard en de hoogste storting in 2010 zou dan niet 7,3 miljard maar 8,9 miljard gulden bedragen. In dat geval komt er uiteindelijk ook 288 miljard in de pot.

De lage rente vreet echter niet alleen aan het AOW-fonds, maar paradoxaal genoeg ook aan de toekomstige `rentevrijval' die zo belangrijk is voor het opvangen van de toekomstige AOW-lasten. Nu al dalen de uitgaven voor rentebetalingen, die op dit moment nu met een omvang van zo'n 30 miljard gulden de tweede begrotingspost vormen. Minister Zalm (Financien) mag voor dit jaar en volgend jaar rekenen op enkele rente-meevallers.

Bij de behandeling van de begroting voor 1999 in september werd in de Tweede Kamer al gesteggeld over de besteding van deze rentemeevaller. Zalm wil deze meevallers gebruiken voor onverwachte extra uitgaven voor ambtenarensalarissen en uitkeringen. Als dat niet gebeurt, wordt de rentemeevaller volgens de afspraak in het regeerakkoord besteed aan andere uitgaven in bijvoorbeeld zorg en onderwijs.

De besteding van deze meevaller nu gaat echter ten koste van de financiering van de AOW straks. Doordat de rentelasten nu al dalen is de rentebesparing die straks optreedt na het terugbrengen van het begrotingstekort in uiterlijk 2006 in absolute bedragen minder dan waarmee de regering mee rekent. Volgens de afspraken is de toekomstige rentebesparing bestemd voor de AOW-lasten, maar dat geldt niet voor de rentebesparing van nu. Ook een rentemeevaller kan maar een keer worden uitgegeven en wat nu naar de onderwijzers gaat, kan niet straks naar de AOW'er.

“Natuurlijk zorgt de daling van de rentelasten voor meer ruimte op de begroting, maar het is de vraag of de politiek dat extra geld zal besteden aan de AOW', zegt actuaris D. Stoop, die de berekeningen heeft gemaakt voor deze krant. Stoop verdiept zich naast zijn werk voor een verzekeraar ook in de sociale zekerheid in Nederland.

Omdat de renteschommelingen de omvang van de AOW-spaarpot zo sterk beinvloeden vindt Stoop dat de bijdragen eraan vastgelegd moeten worden. “De regering zou in absolute bedragen moeten vastleggen hoeveel geld van de toekomstige rentevrijval naar de AOW zal vloeien', zegt Stoop.

De rentebaten nu kunnen volgens hem het beste in het AOW-fonds worden gestort, in elk geval de 1,6 miljard gulden die nodig is om het fonds op peil te houden: “Ook moet onderzocht worden of de extra middelen door de lage rente gebruikt kunnen worden om een welvaartsvaste AOW uit te keren in plaats van de huidige waardevaste AOW.'.

Er zou ook een speciale commissie voor het Spaarfonds AOW moeten komen, vindt Stoop, die bijvoorbeeld zou kunnen zetelen bij de Sociaal-Economische Raad: “Die kan de regering integraal adviseren over zaken als de daling van de staatsschuld economisch beleid en de financiering van de oude dag. Daarmee kan het vertrouwen van het publiek in de financierbaarheid van de AOW worden behouden.'