Afscheid nemen

Ik zie ze nog voor me die wat vage zwartwitbeelden van zwaaiende mensen op de kade. Oude Polygoon-opnames van een enkel betraand gezicht in close-up en een zee van driftig wuivende zakdoeken. De trossen worden losgegooid en tergend langzaam verwijdert de oceaanreus zich van de kade. Een meter, twee meter, vijf meter, tien, het schip zet zich in beweging om uiteindelijk als een zwarte stip aan de horizon te verdwijnen.

Zo verdwenen onze emigranten naar Canada, Australie en Nieuw Zeeland. Het was een weggaan om nooit meer terug te komen. De tranen kwamen niet uit de lucht vallen, er was een gegronde reden voor: het was een echt afscheid.

Dat is nu heel anders. Net als bij de trein, waar nog maar zelden wuivende mensen op het perron achterblijven, is het op Schiphol gedaan met het afscheid. Het is verworden tot een plichtmatig ritueel. Meestal worden er wat handjes geschud en schutterig gezoend. Ook de camera schijnt onontbeerlijk te zijn. De vertrekkers worden op de foto gezet samen met de wegbrengers. En natuurlijk, ook de videocamera hoort er tegenwoordig bij. Een kauwgum kauwende man draait door totdat zijn vrouw roept: “Zo, nu is het wel genoeg ja. Koffie!'

Het afscheid is kaal geworden. Vaak blijft het uitsluitend bij handen schudden. Zoals bij twee heren in het pak. “Nou tot ziens dan. Goeie reis. Dag.' Ze draaien zich synchroon om en verdwijnen. Geen van beiden kijkt nog om. Het ziet er kil en plichtmatig uit.

Even plichtmatig, maar dan plichtmatig vrolijk is het afscheid van een groepje jongelui. Twee jongens in spijkerpak staan op het punt richting Zuid-Afrika te vertrekken. Ze zijn luidruchtig, uitgelaten. “Als-tie maar niet naar beneden dondert' zegt een van hen. Er wordt op luide toon gepraat. Vooral over de reis van huis naar het vliegveld. Er wordt gezoend en omhelsd. “Nou tabee dan' wordt er geroepen als het te lang duurt.

Maar er zijn gradaties. Geen camera, maar liefdevol gaat het toe bij het echtpaar dat hun dochter wegbrengt. Ze blijven keurig achter het hek staan dat de wegbrengers van de passagiers moet scheiden. Ze zwaaien en blijven lachen, al is dochterlief dan allang niet meer te zien.

Na een paar minuten draait het stel zich aarzelend om. Dan is de glimlach weg. De liefde gold kennelijk alleen de dochter, niet elkaar.

Affectie. Het is ook zichtbaar bij twee dames van tussen de dertig en veertig. Ze omhelzen elkaar. Knuffelen. Met knijpende handjes wuiven ze naar elkaar. Als de vertrekkende dame door de paspoortcontrole is, loopt de ander aarzelend weg. Dan na tien meter wordt haar stap vastberaden. Het verblijf op de luchthaven is plotseling doelloos geworden.

Toch is, op wat de meest anonieme plek van Nederland is, soms die korte golf emotie van het oude Polygoon-Journaal even zichtbaar. Een meisje, een gezicht vol puistjes neemt afscheid van haar vriend. Het is onmiskenbaar haar vriend. Haar ogen worden rood en ze begint zachtjes te snikken. Hij streelt teder heur haar. Ze moet op haar tenen gaan staan om bij z'n lippen te komen. Zijn ouders draaien zich om en laten de jonggeliefden begaan. Ze wrijft haar ogen droog en probeert een glimlach. Hij neemt afscheid van z'n ouders. Moeders krijgt een zoen, vader een hand. Dan wendt hij zich weer tot zijn vriendin. Ze omhelzen elkaar opnieuw en weer vloeien er tranen. Het ontroert omdat het echt is.

Als hij achter de douane verdwenen is loopt het meisje met zijn ouders naar de wandelpromenade. Het is snijdend koud en het duurt meer dan een uur voordat het vliegtuig van de verkeerde baan vertrekt zodat er bijna niks te zien is. Het meisje zondert zich tijdens de klim van het vliegtuig onbewust af van zijn ouders. Met haar handen tegen haar wangen geklemd, ellebogen op de reling, tuurt ze het vliegtuig na. Ze volgt het net zolang met haar ogen totdat er alleen maar een zwart puntje op haar netvlies kan dansen. Pas dan draait ze zich om.