Zinloze veroveringen; Het drukke leven van Casanova

Jaloezie is wel de minste eer die we Giacomo Casanova (1725-1798) kunnen bewijzen. Wie zoveel avonturen heeft beleefd, zoveel vrouwen heeft veroverd en er daarna met zoveel smaak over weet te vertellen, verdient het benijd te worden. Vergeleken met Casanova's leven verbleekt dat van bijna ieder ander. Vandaar dat menigeen, al is het maar om het eigen zelfrespect te bewaren, naarstig op zoek is gegaan naar de minder fortuinlijke momenten in diens Histoire de ma vie. Moeilijk te vinden zijn ze niet, want Casanova verzwijgt zijn tegenslagen en mislukkingen nergens. Hij had zich voorgenomen de waarheid te vertellen, en daar hoorden ook de schaduwzijden bij.

Een van de meest pijnlijke episoden uit zijn leven speelt zich af in Londen, waar hij in de herfst van 1763 verliefd wordt op Marianne Charpillon, een jonge Zwitserse courtisane, die hem lange tijd uitdaagt en hoop geeft zonder hem ooit toe te staan haar `bloem' te `plukken' zoals het in Casanova's discrete idioom doorgaans wordt genoemd. Na tergende maanden van vergeefse hofmakerij, die hem een klein fortuin moet hebben gekost, betrapt hij La Charpillon met haar kapper, terwijl zij `het beest met de twee ruggen' maken. Casanova slaat het meubilair kort en klein, maar als het meisje vervolgens doodziek lijkt te worden, bezorgt hem dat zo'n wroeging dat hij de zakken van zijn jas met lood vult teneinde zich in de Theems te verdrinken.

Naar aanleiding van deze affaire, die uitvoerig uit de doeken wordt gedaan in het zesde deel van de memoires, schreef Pierre Lous in 1898 La femme et le pantin. De Britse schrijver Andrew Miller heeft er onlangs opnieuw een roman aan gewijd simpelweg getiteld Casanova. Onder Millers pen wordt Casanova bijna een tragisch personage - bijna, want het verhaal pakt in de praktijk toch meer uit als een vermakelijke tragikomedie dan als een heuse tragedie. Ook de jaloezie kent haar grenzen.

Zelf schrijft Casanova over zijn kennismaking met La Charpillon: `Op deze noodlottige dag in het begin van september 1763 begon ik te sterven en hield op te leven'. Kennelijk besefte hij dat het niet zo maar om een mislukking ging. Miller dikt dit nog eens aan door Casanova aan een welhaast totale vertwijfeling ten prooi te laten vallen. Zelfs de amoureuze successen van weleer blijken nu zijn zelfvertrouwen aan het wankelen te brengen. Misschien was het toch beter geweest als hij twee of drie vrouwen oprecht had liefgehad, zien we hem denken, in plaats van al die vele, achteraf zinloze veroveringen.

Miller overdrijft. Zo ellendig is Casanova, in weerwil van zijn zelfmoord-tentatie, er zelfs op dit dieptepunt van zijn libertijnse carriere niet aan toe geweest. Om zijn gelijk te halen heeft Miller dan ook het nodige moeten verzinnen. Het meest onwaarschijnlijk zijn nog de hoofdstukken waarin hij Casanova - vermomd als arbeider - een staking laat organiseren. Om zijn fatale liefde te vergeten, zou de Venetiaan die zichzelf de titel `Chevalier de Sein-galt' had aangemeten, samen met zijn knecht een tijd lang als loonslaaf hebben gewerkt aan een brug over de Theems. Een terugkeer, aldus Miller, naar het gewone volk waaruit hij was voortgekomen.

Casanova als socialist avant la lettre - voor iemand die het volk placht te omschrijven als `een reusachtig redeloos dier' dat het beste stevig `aan de ketting' kon worden gelegd, klinkt het als een belediging. Ook wekt Miller de indruk alsof Casanova in Londen alleen maar narigheid heeft ondervonden. Om dat aannemelijk te maken doet hij de wel succesvolle affaire met het Portugese meisje Pauline af als een bagatel, terwijl uit de memoires juist blijkt dat zij een van Casanova's meest gelukkige liefdes is geweest.

Met deze Pauline was Casanova in contact gekomen via een advertentie, waarin hij een etage van zijn huis in Pall Mall aanbood aan een `alleenstaande jongedame die Engels en Frans spreekt en zowel overdag als 's avonds geen bezoek zal ontvangen'. Er zijn minder brutale methoden om aan een maitresse te komen. Het verhaal over de advertentie heeft daarom veel ongeloof gewekt, totdat Casanova's biograaf Rives Childes erin slaagde de advertentie in een Londense krant terug te vinden. De tekst was weliswaar iets minder brutaal dan in de memoires (het ging om `een klein gezin of alleenstaande heer of dame, met of zonder bediende'), maar de opzet bleef nog altijd zeer doortrapt.

Want voor reacties diende men zich te vervoegen bij een modiste, die - zo valt achteraf te concluderen - de opdracht moet hebben gehad gezinnen en heren af te wijzen, zodat Casanova alsnog kreeg wat hij begeerde.

De teruggevonden advertentie demonstreert dat Casanova vergissingen van het geheugen daargelaten, vaker de waarheid schrijft dan men geneigd is te denken. Het maakt zijn Histoire de ma vie tot een even nuttige als fascinerende bron voor het achttiende-eeuwse verleden, waarin veel te vinden is dat men elders niet snel zal tegenkomen. Kleine details zijn het vaak, zoals zijn opmerking dat iemand die zich in Londen na een ontvangst aan het hof (Casanova was door George III ontvangen, ook al laat Miller dit weg) in zijn nette kledij op straat begaf, grote kans liep om met vuil te worden bekogeld door `een kruier, leegloper of een vertegenwoordiger van het schuim der natie'. Of zijn mededeling dat de Britse koning en koningin steevast door het gepeupel werden uitgejouwd wanneer zij zich in het openbaar vertoonden - zo bont hebben de Engelsen het in deze eeuw zelfs na de dood van Diana niet gemaakt.

In zijn memoires beperkt Casanova zich niet tot de beau monde, waar hij omging met rijke burgers, edellieden, vorsten en kardinalen. Mede dankzij zijn lidmaatschap van de Vrijmetselarij beschikte hij over uitmuntende connecties, waardoor deuren voor hem open gingen die voor de meeste tijdgenoten met zijn nederige komaf gesloten bleven, maar tegelijkertijd bewoog hij zich in een heel wat schimmiger onderwereld van internationale avonturiers, courtisanes en oplichters.

Zelf schrok hij evenmin terug voor bedrog, en niet alleen wanneer er een weerspannige dame moest worden verschalkt.

Aan de speeltafel was hij altijd bereid Vrouwe Fortuna, zoals het in die kringen heette, te `corrigeren', zijn financiele transacties konden zelden het daglicht velen, en met kabbalistisch gegoochel (Casanova deed alsof hij zo de toekomst kon voorspellen) lukte het hem diverse bijgelovige welgestelden grote sommen gelds afhandig te maken.

Toch schreef hij tegen het eind van zijn leven een pamflet (Soliloque d'un penseur), waarin hij de `brandstapel' aanbeveelt als terechte straf voor het soort charlatans en bedriegers waartoe hij zelf lange tijd had behoord. Het is niet moeilijk Casanova op hypocrisie te betrappen.

Ook niet in de memoires. Wanneer hij in het twaalfde deel schrijft: `Verleiden is nooit kenmerkend voor mij geweest, want ik heb dit altijd onbewust gedaan nadat ik eerst zelf was verleid', klinkt dat niet echt overtuigend. Te meer daar we hem eerder in hetzelfde deel koelbloedig hebben zien besluiten een dertienjarig nichtje te verleiden wier `ontluikende vrouwelijkheid' hem een `verrukkelijk soort afgrijzen' inboezemt als hij het slapende kind onder haar nachthemd inspecteert.

Dat Casanova zich soms beter voordoet dan hij is, laat zich overigens goed begrijpen. Op oudere leeftijd was hij afhankelijk van respectabele weldoeners, die niet openlijk geassocieerd mochten worden met een schurk. En dus paste Casanova, als de volmaakte kameleon die hij kon zijn, zich aan. Veel keuze had hij niet, aangezien zijn bij elkaar gesjoemelde fortuin in de loop der tijd vrijwel geheel was opgesoupeerd. Want Casanova mag dan een mooie, aantrekkelijke man zijn geweest, voor zijn amoureuze veroveringen had hij ook geregeld zijn beurs moeten aanspreken.

De ouderdom was voor hem in meer dan een opzicht een probleem, zoals voor iedere libertijn.

Zijn tanden vielen uit, zijn potentie nam af, de vrouwen stelden niet meer op het eerste gezicht belang in zijn persoon, het voortdurende reizen begon hem te vermoeien. Verdreven uit zijn geliefde geboortestad Venetie, waar hij zich in 1782 (na een verblijf van acht jaar) met een satirische sleutelroman voorgoed onmogelijk had gemaakt, moest hij elders naar een thuishaven uitzien. Het werd tenslotte het Tsjechische Dux (tegenwoordig Duchcov), waar hij als bibliothecaris in dienst kwam bij de graaf von Waldstein, die hij in Wenen had leren kennen.

Na 1785, het jaar waarin hij naar Dux verhuisde veranderde Casanova definitief van een rondreizende avonturier in een honkvaste schrijver en geleerde, die boeken publiceerde over de geschiedenis van Polen, de verdubbeling van de kubus, Voltaire en het christendom, de invloed van de baarmoeder op het karakter van de vrouw en de neologismen die de - door hem hevig verafschuwde - Franse Revolutie in het leven had geroepen.

Zijn `onsterfelijkheid' als schrijver hoopte hij te bereiken met een vijfdelige, nu onleesbaar geworden roman (Icosameron) over een utopische samenleving in het binnenste van de aarde. In werkelijkheid zou hij de gewenste onsterfelijkheid verwerven met het verhaal van zijn eigen leven, waaraan hij omstreeks 1790 moet zijn begonnen, naar eigen zeggen `om niet gek te worden of te sterven van verdriet over de onaangenaamheden die de op het kasteel van graaf Waldstein in Dux woonachtige schurken mij hadden bezorgd'.

Opmerkingen als deze en niet te vergeten het amusante portret van de prins de Ligne, waarin Casanova wordt afgeschilderd als een aandoenlijke mopperkont die zich beklaagt over de kwaliteit van de koffie en de macaroni, het geblaf van de hofhonden dat hem uit de slaap houdt en de onbeleefdheid van het personeel, hebben de mening doen postvatten dat de onverschrokken libertijn een ongelukkige levensavond heeft gekend.

In zijn boek De laatste jaren van Casanova doet Theo Kars zijn best dit beeld te corrigeren. Casanova mag volgens hem niet altijd letterlijk op zijn woord worden geloofd, omdat veel van zijn uitlatingen slechts `momentopnamen' zouden zijn die meer zeggen over zijn temperament en zijn impulsiviteit dan over zijn werkelijke conditie. De Ligne's portret acht Kars volstrekt onbetrouwbaar; uit andere getuigenissen blijkt dat Casanova er eigenlijk helemaal niet zo beroerd aan toe was en nauwelijks aan vitaliteit had ingeboet.

Door de graaf von Waldstein (die in het conflict met de bovengenoemde `schurken' de zijde van Casanova koos) werd hij bijzonder gewaardeerd. Hij had diverse vrienden in de omgeving, met wie hij sprak en correspondeerde, hij maakte van tijd tot tijd reisjes naar Dresden of Berlijn. Zelfs de vrouwelijke belangstelling ontbrak niet geheel, al ging de liefde van Casanova in deze jaren vooral uit naar zijn hondje, waarvoor hij toen het in 1794 overleed een lijkrede schreef in het Latijn, na eerst twee uur lang te hebben geweend.

Kars' boek is een waardige afsluiting van zijn vertaling van Casanova's Histoire de ma vie, waarvan het twaalfde en laatste deel (Geheim agent) vandaag verschijnt, wederom uitblinkend door een souplesse en een levendigheid van stijl die niet voor het origineel onderdoen. In dit deel, dat onder meer in Rome speelt, is een streng meisjespensionaat de barriere die Casanova scheidt van de jonge Armellina met haar blanke huid en zwarte ogen. `Ik werd in het geheel niet ontmoedigd door het vooruitzicht van de moeilijkheden die ik zou moeten overwinnen als ik mij aan mijn ontkiemende hartstocht zou overgeven', schrijft hij met een zelfverzekerdheid die niet op grootspraak blijkt te berusten.

Maar ook zien we Casanova, nadat Armellina weer uit het zicht is verdwenen, op zijn schreden terugkeren. Het schrijverschap kondigt zich aan, wanneer hij zich - op zesenveertig-jarige leeftijd - een oude man begint te voelen. Hij besluit voortaan op `een waardige wijze' teruggetrokken te gaan leven en zich te wijden aan de letteren, met als eerste project niets minder dan een vertaling van de Ilias. In de laatste hoofdstukken bevindt hij zich in Triest, vlak bij Venetie, waar hij bijna twintig jaar eerder uit de staatsgevangenis was ontsnapt. In de hoop eindelijk gratie te krijgen, toont hij zich bereid voor de inquisitie van de Republiek als geheim agent op te treden. De terugkeer naar zijn geboortestad wordt echter niet meer in de memoires vermeld.

Casanova's Histoire de ma vie breekt plotseling af, ergens in 1774, met een zin (`Ik zag haar drie jaar later in Padua terug, waar ik haar dochter op veel intiemere wijze zou leren kennen') die doet vermoeden dat op dit slot nog een vervolg had moeten komen.

Over het bestaan van dat vervolg zijn de berichten tegenstrijdig. Zelf heeft Casanova in een brief aan zijn vriend Opitz geschreven, dat hij zijn herinneringen na 1774 liever liet rusten, `want vanaf het vijftigste levensjaar heb ik slechts treurigheid te melden, en daar word ik zelf treurig van'. Kars daarentegenbetoogt, met kracht van argumenten, dat de memoires wel degelijk een vervolg hebben gekend, dat nu wellicht ergens `vergeten op een zolder of in een archief in een voormalig Oostblokland' ligt te wachten op ontdekking.

Tot het zover is, zullen we het moeten doen met de nu voorhanden delen, in totaal bijna vierduizend bladzijden, die het meest avontuurlijke deel van Casanova's leven op onweerstaanbare wijze in kaart brengen.

Van ontmoediging is daarbij, ook na het echec met La Charpillon, geen sprake. Casanova blijft onze jaloezie voeden, want enkel met afgunst kunnen we kennisnemen van wat hij schrijft als de onfortuinlijke verliefdheid is geweken: `Bij mijn ontwaken de volgende morgen nam ik vluchtig mijn lichamelijke en geestelijke toestand in ogenschouw, en stelde vast dat ik gelukkig was'.