Waarom Europa beter is dan de rest; Geschiedenis van de wereldeconomie

David S. Landes: Arm en Rijk. Waarom sommige landen erg rijk zijn en andere erg arm. Vertaling Andre Abeling en Piet Verhagen. Het Spectrum, 720 blz. f75,-

Wie een boek schrijft met de titel Arm en rijk moet lef hebben. De oorspronkelijke titel The Wealth and Poverty of nations is nog beladener. Het riekt naar arrogantie om zo'n duidelijke verwijzing te maken naar het opus magnum van Adam Smith uit 1776, dat algemeen wordt beschouwd als de grondslag van het vrijemarktkapitalisme. De Amerikaanse emeritus hoogleraar in de economische geschiedenis David Landes, die aan Harvard University doceerde, heeft er welbewust voor gekozen. Hij wil met zijn boek een plaats verwerven onder de `groten' die de (economische) wereldgeschiedenis op de schop nemen. Het meest voor de hand liggen vergelijkingen met boeken als The Rise of the West (1963) van William H. McNeill en het driedelige The Modern World System (1974, 1980 en 1989) van Immanuel Wallerstein.

Wallerstein besteedde veel aandacht aan het antagonistische proces, waarin niet-westerse koloniale samenlevingen steeds meer deel gingen uitmaken van de door het Westen gedomineerde wereldeconomie. Hij bleef hierbij oog houden voor de eigenwaarde van andere civilisaties dan de westerse. McNeill schreef, zoals hij het naderhand zelf typeerde, over `de geschiedenis van rijkdom en macht'. Bij hem is de wereldgeschiedenis een proces waarin opeenvolgende metropolen ontstonden die hun invloed over een groter gebied uitbreidden: zo ging het in Mesopotamie, het Midden-Oosten, het Griekse en Romeinse rijk, het Verre Oosten en tenslotte het Westen, ofwel Europa. McNeill stak niet onder stoelen of banken dat het Westen uiteindelijk triomfeerde.

Bij David Landes is geen ruimte meer voor de these dat de basis voor de onstuitbare opmars van de wereldeconomie ergens anders dan in het Westen zelf zou zijn gelegd, of dat zou het Westen andere gebieden nodig heeft gehad om tot bloei te komen. De auteur verwerpt dergelijke `politiek correcte' stellingen al in zijn voorwoord.

Was het toeval dat de ontwikkeling van klok, bril en boekdrukkunst in West-Europa plaatsvonden? Het is typerend voor Landes dat hij zulke schijnbaar triviale vragen stelt. Hij is vooral een economisch historicus en veel minder een academisch econoom. En dat is voor het aanpakken van een zeer omvattend onderwerp als de oorzaken van rijkdom en armoede van naties een voordeel. `Echte' economen zouden niet de moeite nemen een zo omvangrijke schat aan historische bronnen te raadplegen als Landes heeft gedaan. Hun aandacht zou vooral zijn uitgegaan naar kwantificeerbare gegevens. De status van economisch historici is de afgelopen jaren echter opgewaardeerd, na jaren waarin economische modellenbouwers het voor het zeggen hadden.

Dat vond een hoogtepunt in de toekenning van de Nobelprijs voor de economie aan de Amerikaan Douglass North in 1994. Er is nu weer meer aandacht voor het belang van culturele, sociale en institutionele factoren in economische ontwikkelingen. De globalisering, met zijn koplopers en achterblijvers, speelt hierbij een belangrijke rol.

Klok en bril

David Landes heeft niet veel boeken geschreven, maar de paar werken van zijn hand trokken wel de nodige positieve aandacht. In 1984 publiceerde hij Revolution in Time. Daarin beschrijft hij de uitvinding in de tweede helft van de dertiende eeuw van de mechanische klok in West-Europa. In zijn jongste boek onderstreept Landes nog eens de diepere betekenis ervan. Het ding met zijn ingenieuze slingermechanisme was was niet alleen een wonder van vernuftige techniek, het zei ook iets over de middeleeuwse samenleving. De klok bracht orde en controle in het openbare en particuliere leven. Openbare klokken op marktpleinen en stadhuizen werden het symbool van gemeentelijk seculier gezag.

Het fenomeen productiviteit was een bijproduct van de klok. Tijd werd geld. In de West-Europese handel, nijverheid, scheepvaart en wetenschap was een grote vraag naar de uurwerken. De techniek lokte op andere gebieden weer nieuwe technische vondsten uit, wat de productiviteit verder opvoerde. Zoals de uitvinding van de bril - eind dertiende eeuw in Italie - de productie stimuleerde, omdat handwerkslieden en instrumentmakers tot op veel hogere leeftijd konden blijven werken.

Hoe anders was dat in andere beschavingen. In het Chinese keizerrijk kende men al langer water- en zonneklokken, die het bij ongunstig weer overigens lieten afweten.

Maar bij de Chinezen was kennis van de tijd voorbehouden aan de keizer en zijn astronomen. De Chinese elite bewonderde de Europese klok wel, maar was niet genegen de technologische superioriteit van Europa te erkennen en probeerde het mechaniek te kleineren als een leuk speelgoed. In de moslimwereld werden waterklokken gemaakt nog voor zoiets in Europa bekend was. Maar Westerse klokken en horloges vonden er evenmin algemeen ingang. De pauselijke gezant in Constantinopel schreef in 1560 dat de invoering van openbare klokken er als een `aantasting van de autoriteit' van de geestelijkheid zou worden opgevat.

Met de boekdrukkunst was het weinig anders. De drukkunst is, net als het papier, een Chinese vinding uit de negende eeuw. Maar in China kwam het nooit tot een explosie van drukwerken zoals veel later in Europa. De confuciaanse mandarijnen ontmoedigden de verspreiding van nieuwe ideeen en afwijkende meningen. De Chinese drukkunst stierf een zachte dood om pas veel later weer tot leven te worden gewekt. Ook het buskruit is een Chinese uitvinding (elfde eeuw) die pas in Europa optimaal werd benut.

Wat maakte West-Europa in de visie van Landes zo `exceptioneel'? Hij noemt de Middeleeuwen, en niet de Renaissance, als de periode waarin West-Europa op een beslissende manier afstand nam van andere beschavingen. De vroegere Grieken en Romeinen speelden ook wel een rol, maar een andere dan veelal wordt gedacht. Het was volgens Landes niet hun bloei maar juist hun val die de latere West-Europese sprong naar de moderniteit mogelijk maakte. De Middeleeuwen vormden de brug tussen de oude mediterrane wereld en een modern Europa ten noorden van de Alpen en de Pyreneeen.

Al in de Griekse tijd was er sprake van een tegenstelling tussen het Westen en het Oosten, waarbij de vrije Griekse polis (stadstaat) het opnam tegen het `orientaalse despotisme' van het Perzische rijk. Nauw verbonden hiermee was de voor de economische ontwikkeling belangrijke tegenstelling tussen een systeem van particulier eigendom en dat van de `heerser-bezit-alles'. Landes meent dat alleen al de notie van economische ontwikkeling een Westerse `uitvinding' is. Waar had in het Oosten de groei van productiviteit trouwens vandaan moeten komen? Als de Oosterse elites meer wilden, zat er in hun ogen maar een ding op: de bevolking verder uitknijpen.

Het Griekse en Romeinse rijk gingen uiteindelijk ook aan despotisme ten onder, maar zo ontstond juist het machtsvacuum waardoor in West-Europa duizend bloemen konden bloeien. De middeleeuwse overgangsmaatschappij had elementen in zich van de klassieke nalatenschap, Duitse tribale regels en gewoonten en van de joods-christelijke traditie. Alle droegen bij aan instituties die particulier eigendom respecteerden. Natuurlijk waren er ziektes, onzekerheden, conflicten en oorlogen, maar door de politieke fragmentatie bleef de arm van de bestuurlijke autoriteiten kort. Er was in zekere zin sprake van vrijwillige maatschappelijke allianties.

Landes schetst het ontstaan van een klimaat in West-Europa waarin geestelijke vrijheid, wetenschappelijke nieuwsgierigheid, ondernemerszin en persoonlijke verantwoordelijkheid konden gedijen. De Reformatie bevorderde het onafhankelijk denken en het politieke bewustzijn van de burgers. De economische dynamiek, die dat opleverde, valt volgens Landes nauwelijks te onderschatten. Hij schroomt dan ook niet het gedachtegoed van de Duitse socioloog Max Weber en zijn Protestantische Ethik und der 'Geist' des Kapitalismus (1904) nog maar eens op te poetsen.

Landes wil niet zozeer origineel zijn. Hij ontleent tenslotte veel aan anderen. Het is veeleer zijn aanpak die Arm en rijk tot een waardevol, zelfs onmisbaar boek maken. Als een archeoloog legt Landes de bronnen bloot. Door zijn aandacht voor cultuur, religie, politiek, techniek en economie komen verbanden aan het licht, die bij een beperktere benadering onder de oppervlakte zouden blijven. In de bibliografie van Landes' boek treffen we Eric Williams Capitalism and Slavery, Edward Saids Orientalism en Paul Kennedys The Rise and Fall of the Great Powers aan, maar ook een boek als The machine that changed the world van James Womack en Daniel Jones over de technologische revolutie in de auto-industrie. Zo voert hij de lezer langs de prestaties van de Portugezen en Nederlanders in de zestiende en zeventiende eeuw, de kolonisatie van Latijns-Amerika, de Industriele Revolutie in Engeland en de opkomst van Amerika vanaf de negentiende eeuw als belangrijkste economische macht. Landes schetst ook uitvoerig de factoren die ervoor zorgden dat Japan als enig niet-westers land de top van de wereldeconomie kon halen. Japan stond veel meer open voor Europeanen dan China, al werden christelijke missionarissen buiten de deur gehouden. `De Japanners wilden leren, omdat ze grenzeloze aspiraties hadden', aldus Landes. Zo vond de Europese klok een warm onthaal en werd deze door de Japanners al snel nagemaakt. Later gingen er missies naar Europa en Amerika om allerlei technische kennis op te doen.

De krachten die in Japan voor verandering zorgden, waren volgens Landes vergelijkbaar met die in het middeleeuwse Europa. Er was een gedecentraliseerd bestuur van provincies en steden, waardoor ruimte ontstond voor economische activiteiten.

De werkethiek van Japanners was door de invloed van het Boeddhisme ook in het premoderne Japan al te vergelijken met die van `Weberiaanse protestanten'.

En de islamitische wereld? Landes wijst op het despotische karakter van het Ottomaanse rijk: `(...) mensen hadden geen rechten, geen veiligheid; alleen plichten en onderwerping.' De grootste fout van de Islam was volgens Landes het verbod op de drukpers, die werd gezien als een potentieel instrument voor heiligschennis en ketterij. Landes is uiterst negatief over de landen in het Midden-Oosten, die er niet in geslaagd zijn een geavanceerde economie op te bouwen. Hij vergelijkt de rijke olielanden met het vroegere Spaanse koninkrijk, dat zwelgde in zijn rijkdom en alle vaardigheden en diensten van anderen kocht. Hij hekelt de `inferieure plaats' van vrouwen in de Arabische wereld, de `grootste handicap' van deze moslimlanden die hen afsluit van de moderniteit.

Dommer

Soms irriteert Landes, door zijn pedante neiging zichzelf intelligenter te willen maken en anderen dommer. Over de schrijver Edward Said, die in zijn Orientalism (1978) Westerse schrijvers over de islamwereld `ontmaskerde' als imperialisten en racisten, laat hij bijvoorbeeld onvermeld dat deze Amerikaanse Palestijn zijn standpunt in het zes jaar geleden gepubliceerde Culture and Imperialism heeft genuanceerd. In zijn aanval op multiculturalisme en cultuurrelativisme kiest Landes zijn doelwitten erg gemakkelijk. Dergelijke `politiek correcte' opvattingen zijn nog slechts in beperkte mate in Amerikaanse academische kringen gangbaar. En Landes' verwijt aan de Wereldbank dat deze geen aandacht heeft voor culturele en institutionele factoren in economische ontwikkeling is al lang door de werkelijkheid achterhaald.

Dat Landes bovendien niet eens refereert aan belangrijke publicaties hierover van de economisch historicus en Nobelprijswinnaar Douglass North, zijn eigen collega, aan wie hij wel de term `belief system' (systeem van normen en waarden) ontleent, is uiterst merkwaardig.

Als het gaat om de toekomst houdt Landes zich zelfs op de vlakte. Hij komt uiteindelijk niet veel verder dan de platitude dat optimisten de halve wereld hebben en pessimisten alleen de schrale troost van het eigen gelijk.

Toch moet er op basis van Landes' Arm en rijk meer over te zeggen zijn. Luidt de jongste wereldwijde financiele crisis een langdurige recessie in en daarmee misschien een ommekeer in de globalisering? Moeten we luisteren naar John Gray's recente onheilsvoorspelling False Dawn. The Delusions of global capitalism? Volgens Gray zal de vrije markt leiden tot een ontworteling van de hele wereld door massawerkloosheid, ondermijning van de middenklasse en traditionele instituties. Zo zal een `anarchie van soevereine staten' en `statenloze zones' ontstaan. Of komt mogelijk de voorspelling van Samuel Huntington uit over de `clash of civilisations'?

Landes geeft de lezer niettemin veel stof om over dergelijke vragen zelf na te denken. Zal China zich bijvoorbeeld in gunstige zin ontwikkelen? De factoren die Landes voor dit land noemde als negatief voor de economische ontwikkeling, lijken geleidelijk aan te verdwijnen of in elk geval in kracht af te nemen. Willem van Kemenade, correspondent in China, schetste in zijn veelgeprezen en inmiddels ook in Engelse editie verschenen China BV; superstaat op zoek naar een nieuw systeem (1996) een dergelijk beeld. Zo is ersprake van decentralisatie sinds Deng Xiaoping in 1992 `beslissende steun' gaf aan lokale economische hervormers.

Net als Hongkong zouden ook andere Chinese regio's rechtstreeks aansluiting kunnen vinden bij de wereldeconomie, als die decentralisatie doorzet. Een dergelijk proces van regionalisering lijkt sprekend op de ontwikkelingen in West-Europa vanaf de Middeleeuwen, zoals Landes die beschrijft. Van Kemenade schetst ook het zoeken naar een nieuwe confuciaanse seculiere ethiek, die kan bijdragen aan stabiliteit in een zich hervormend China.

Rijkdom

Landes geeft in zijn boek aan dat `cultuur' alle verschil maakt, wanneer een land poogt de weg naar rijkdom te vinden. Hij onderstreept hierbij dat `cultuur' niet onveranderlijk is, maar wordt beinvloed door economische mogelijkheden en prestaties. Betekent dit nu dat een land alleen maar succes kan hebben wanneer het volledig verwestert? Als dit werkelijk zo zou zijn, dan staan de wereld mogelijk inderdaad `botsingen der beschavingen' a la Samuel Huntington te wachten. Maar de door Landes beschreven Japanse ontwikkelingen spreken een dergelijk scenario tegen. Japan nam met veel succes westerse onderzoeks- en productiemethoden over zonder de eigen cultuur volledig op te geven.

Rationaliteit, pragmatisme, efficiency en wetenschappelijke waarheidsvinding kunnen dus ook in andere dan westerse culturen gedijen. Landes merkt op dat dat Webers `ideaaltype' van de kapitalist niet alleen onder calvinisten en hun latere sektarische verschijningsvormen te vinden zijn. De wereld kent sinds de val van het communisme tal van niet-westerse landen die het kapitalisme van de vrije markt hebben omarmd. Latijns-Amerika, waar ooit Spaanse `waarden' een echte welvaartsontwikkeling in de weg stonden, lijkt de aansluiting te vinden. En hetzelfde geldt voor de Oost-Europese landen.

Zelfs voor het in chaos verkerende Rusland is er hoop.

En de huidige crisis dan, die deels lijkt veroorzaakt door de nieuwe grenzeloze speculatieve kapitaalstromen? Die crisis zal uiteindelijk slechts een rimpeling in de vijver blijken. Het kapitalisme is wel vaker in staat gebleken zijn eigen uitwassen door een betere regulering te beperken.

De jongste ervaringen in de Aziatische crisislanden geven eerder grond voor optimisme dan voor pessimisme. Neem (het islamitische) Indonesie. Daar leidde de diepe economische en politieke crisis niet tot een massale anti-westerse beweging, ook niet na door het Internationaal Monetair Fonds (lees: het Westen) opgelegde economische hervormingsprogramma's. De bevolking keerde zich juist tegen president Soeharto die onder het mom van `Aziatische waarden' decennia lang een dictatoriaal en corrupt regime in stand hield. In Maleisie probeert de anti-westerse premier Mahathir het tij nog te keren. Maar zijn eigen bevolking heeft zich al van hem afgekeerd. Burgers verzetten zich tegen dictatuur, corruptie en economisch wanbeleid. Zij kiezen voor democratie, transparantie en economische efficiency. De moderne communicatietechnologie heeft hen veel wijzer gemaakt dan Soeharto, Mahathir, Saddam Hussein of Gaddafi lief is. Met het boek van Landes in de hand valt de stelling te verdedigen dat het proces van globalisering niet alleen tot economische maar ook tot politieke sanering zal leiden.

David Landes zelf waagt zich liever niet aan dit soort bespiegelingen. Hij houdt het erop dat historici `agnosten' zijn als het om de toekomst gaat.