Waar is de hemel?; Filmmaker Peter Weir over `The Truman Show'

Met opmerkelijk succes blijft Peter Weir, Australier in Hollywood, trouw aan zijn eigen ideeen. Metafysica wordt door hem niet geschuwd, maar dat krijgen de geldschieters niet te horen. “Je moet het een beetje verkopen: we hebben Jim Carrey in een love story, dan worden ze al een beetje opgewonden.'

Succes heeft vele vaders. The Truman Show is een wonderlijk metaforische tragikomedie over een jongeman die al dertig jaar, vanaf zijn geboorte, de hoofdrol speelt in een 24 uur per etmaal uitgezonden live-soap-televisieshow zonder zelf te weten dat er alleen maar acteurs rondlopen in zijn omgeving - of een van de vijfduizend verborgen mini-camera's op te merken waarmee hij wordt gefilmd. Het commerciele en artistieke succes zal zeker de geschiedenis ingaan als de eerste serieuze film van de populaire komiek Jim Carrey. Het is ook het eerste verfilmde scenario van de Nieuw-Zeelander Andrew Niccol, die sindsdien als regisseur debuteerde met de science fiction-film Gattaca.

Maar het is bovenal de grootste Hollywood-hit tot nu toe van de Australische regisseur Peter Weir (Sydney, 8 augustus 1944), die nog steeds in Sydney woont en monteert, en naar eigen zeggen `forenst' tussen Australie en Los Angeles. Na vijf Australische en zes Amerikaanse films is Weir nog steeds een buitenbeentje in Hollywood, maar wel een die een voor huidige begrippen onwaarschijnlijke mate van controle heeft weten te houden over zijn consistente oeuvre.

Weir maakte deel uit van een begin jaren zeventig als Australische `new wave' aangeduide groep filmers, onder wie George Miller en Fred Schepisi, maar ook cameraman John Seale en acteur Mel Gibson. Allen vertrokken later naar Hollywood, maar niemand bleef zo dicht bij zijn oorspronkelijke uitgangspunten als Peter Weir.

Er loopt een directe lijn van Weirs vroege Australische films naar The Truman Show. Dus van Picnic at Hanging Rock (1975), over de mysterieuze verdwijning van een geisoleerde groep victoriaanse kostschoolmeisjes in een archetypisch landschap, gaat het naar de thriller Witness (1985) die draait om het doordringen van de buitenwereld in een Amish-kluizenaarsgemeenschap bij Philadelphia.

Via Witness arriveerde Weir weer bij de verwerking van de bijna-doodervaring door de overlevenden van een vliegtuigongeluk (Fearless, 1993), en, nu, bij de emancipatie van Truman Burbank, die ontdekt in een bordkartonnen decor en onder een glazen koepel te leven.

Vaak toont Weir ons parallelwerelden, die op dramatische wijze met elkaar geconfronteerd worden. Expliciet was de `droomtijd' van de Australische aborigines het thema van The Last Wave (1977), over een blanke advocaat die de werkelijkheidsbelevenis van een van moord verdachte aborigine moet verdedigen, en die ontdekt zelf gevoelig te zijn voor de openbaring van een naderende apocalyps. Later zou Weir subtieler manieren ontwikkelen om aan te geven dat verschillende realiteiten naast elkaar kunnen bestaan, bijvoorbeeld door zijn personages van de ene wereld naar de andere te laten stappen en daar onder extreme omstandigheden iets over zichzelf te ontdekken. Vaak ook heeft die overgang een metafysisch karakter. In The Truman Show is natuurlijk de vraag onvermijdelijk, wat werkelijkheid nu eigenlijk is. De vergelijking met Plato's mythe van de grot dringt zich op, wanneer iemand na dertig jaar ontdekt dat zijn leven slechts een luchtspiegeling is en hij slechts een `true man' is in de fantasie van een ander.

Depardieu

Tijdens het filmfestival van Venetie, waar The Truman Show vorige maand in Europese premiere ging, beantwoordde een energieke en openhartige Weir de vragen van een groep journalisten. Hoe hij die vrijheid heeft weten te bevechten en behouden, bijvoorbeeld. Weir: “Het klinkt raar, maar ik heb nog nooit een film gemaakt die niet op mijn eigen inzichten gebaseerd was. De enige uitzondering is misschien Green Card, maar het was mijn eigen keuze eens een romantische komedie te maken, vooral omdat Gerard Depardieu de hoofdrol wilde spelen.

Ook The Truman Show vertelt het oudste verhaal dat bestaat, namelijk hoe wijsheid en een beetje liefde de diepste angsten kunnen overwinnen. Het is geen satire, dat zou te makkelijk zijn. Het gaat bij film om emoties, om het verkennen van grenzen en het zoeken van de waarheid, om de vraag waar de hemel is.

“Ik ben geloof ik een Jungiaan, ik houd van archetypen. Dialogen zijn voor mij minder belangrijk, dat stamt nog uit de tijd van de Australische `new wave' van de jaren zeventig, toen we geen goede scenarioschrijvers hadden en in de montage altijd probeerden zo veel mogelijk matige dialogen weg te snijden. Maar het is waar dat Hollywood niet gek is op metafysische films. Dus moet je het een beetje verkopen: we hebben Jim Carrey in een love story, dan worden ze al een beetje opgewonden. Dan zeg je: denk aan Forrest Gump, dat was toch ook een beetje rare film, die het heel goed heeft gedaan?'

De overeenkomsten met Forrest Gump liggen voor de hand. Ook Truman Burbank is een simpele Elckerlijc, die het tot volksheld brengt, maar zelf niet tevreden is met die rol. Hij begint te vermoeden dat zijn bestaan niet `echt' is en tracht zich te onttrekken aan de existentie van een marionet. Hij kent zijn regisseur en creator niet eens, de charismatische Christof (Ed Harris) die de geboorte van Truman al live uitzond en uit alle macht probeert de show te redden wanneer Truman eruit wil stappen.

Weir: “Het was een rare gewaarwording dat prinses Diana verongelukte tijdens de montage van The Truman Show. Ook al is het niet alleen een film over de media de dood van Diana die min of meer veroorzaakt werd door haar publieke positie, waar ze zich juist aan probeerde te onttrekken, leek een illustratie van het verhaal van Truman.'

Weir vergelijkt zijn personage ook met het monster van Frankenstein, een artefact, die zich bewust wordt van de onmogelijkheid van zijn bestaan: “Het belangrijkste motief om The Truman Show te maken was dat ik `de vierde muur' van een film wilde laten zien. Ik kon zelf niet meer naar een film kijken zonder de gedachte: waarom zien de personages de camera niet?'

De regisseur werkte lang samen met Niccol aan het scenario. De oorspronkelijke versie speelde zich af in Manhattan, maar dat werkte niet: het leek onlogisch. Waarom zou Christof, de regisseur in de film, zijn soap in een wereldstad situeren? “De woonplaats van Truman moest een eiland zijn, net als Manhattan, maar dan gemakkelijker te manipuleren. Seahaven bevindt zich onder een stolp, met de Chinese Muur de enige door mensen gebouwde structuur die je uit de buitenaardse ruimte kunt waarnemen. Tot onze verbazing vonden we een echte locatie die aan alle vereisten voldeed, het stadje Seaside in Florida, met een soort van utopische architectuur. Het kostte veel onderhandelen om daar te mogen filmen, want de autoriteiten en de bewoners waren bang in een negatief daglicht gesteld te worden.'

Persoonlijke moed

Volgens Weir maakt de controle van Truman door Christof vooral gebruik van het genereren van angst: “Als Truman een reis wil maken naar de buitenwereld, wordt hij op verschillende manieren bang gemaakt. Over de brug naar buiten heeft zogenaamd een ernstige explosie plaatsgevonden en op het reisbureau draaien video's van vliegtuigongelukken. Dat is het mechanisme van de macht.'

De titel van een van Weirs eerdere films, The Year of Living Dangerously (1983) gesitueerd in Indonesie, tijdens de nasleep van de kolonelscoup in 1965 wijst op een fascinatie met het trotseren van een onveilige buitenwereld.

De moed van Mel Gibson en Sigourney Weaver in die film valt te vergelijken met de belevenissen van Gibson als dienstplichtige Australier tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het andere einde van de wereld (Gallipoli, 1981) of de verschrikkingen waaraan Harrison Ford op een rivier in Honduras zijn gezin blootstelt in The Mosquito Coast (1986). Steeds verbeeldt Weir persoonlijke integriteit en moed als remedie tegen angst. Zelfs het wat sentimenteel uitgevallen verhaal van Dead Poets Society (1989), waarin leraar Robin Williams zijn leerlingen met onorthodoxe strategieen levenswijsheid uit literatuur laat halen verwijst naar persoonlijke moed.

Weir verliet in 1962 de universiteit van Sydney na te zijn geridiculiseerd door een docent over zijn verdediging van een gedicht van William Blake. Weir zei daar later over: “Als ik toen niet onmiddellijk vertrokken was, zou ik nooit meer iets goed hebben kunnen doen.' Na korte tijd te hebben gewerkt voor zijn vader, een makelaar in onroerend goed, vertrok Weir naar Europa, per boot. Onderweg maakte hij zich met enkele vrienden, onder wie zijn latere echtgenote Wendy Stites (visual consultant van The Truman Show) meester van het gesloten televisiecircuit aan boord en maakte daar een reeks programma's, geinspireerd door zijn toenmalige grote voorbeeld, Monty Python's Flying Circus. Via televisie kwam Weir in de filmwereld terecht en debuteerde hij in 1974 met een curieuze horrorfilm, The Cars That Ate Paris, over een dorpje dat automobilisten van de weg liet rijden om de plaatselijke economie te bevorderen.

Elf films in vierentwintig jaar, zonder echte missers of alleen maar voor het geld gemaakte opdrachten, vormen een hoog gemiddelde, zeker wanneer je bedenkt dat er vijf jaar verstreken tussen Fearless en The Truman Show.

Weir: “Ik zou niet meer een film willen maken waar geen publiek voor bestaat. In het begin gaat het alleen maar om het maken van een film, bijna ongeacht het resultaat. Nu doe ik het kalmer aan, omdat ik ook tijd wil overhouden om te leven, en dat leven speelt zich af in Australie. Een komiek zei eens dat het hele jaar in Australie wonen zoiets is als op een feest alleen maar met je moeder dansen. Mijn werk bevindt zich voor een groot deel in Amerika, en daar kan ik films maken die ik belangrijk vind, en die vaak ook een publiek vinden. Filmmaken speelt zich af in een vreemde cultuur. In het eerste weekeinde dat de film in de bioscoop uitkomt, zit je op een telefoontje te wachten en wordt daarmee over je toekomst beslist. Hollywood is een vreselijk milieu, waar veel mensen rondlopen die kippiger zijn dan Mr. Magoo, maar er vindt wel een soort van darwinistische evolutie en selectie plaats in de filmmakersgemeenschap. Tot nu toe kan ik daar goed in gedijen.'