Vleespotten in de polder

In 1986 verwierf Aruba de felbegeerde `status aparte'. Het zonovergoten eiland - met nog niet half zoveel inwoners als de stad Groningen - maakte zich los van de Nederlandse Antillen en vormt sindsdien een zelfstandig deel van het Koninkrijk. Zoals zoveel landen die net staatkundig onafhankelijk zijn geworden, kreeg Aruba zijn eigen, noodlijdende luchtvaartmaatschappij en bracht het een eigen munt in omloop, de florin.

Economisch gezien bestond daarvoor geen aanleiding. De florin staat in dezelfde waardeverhouding tot de dollar als de Antilliaanse gulden, die tot 1986 het betalingsverkeer diende. De florin werd uitsluitend ingevoerd als symbool van verworven zelfstandigheid en om de nationale identiteit te benadrukken. In Europa voltrekt zich, zoals bekend, een spiegelbeeldige ontwikkeling. Met ingang van volgend jaar schaffen elf lidstaten van de Europese Unie hun nationale munten af en stappen over op de euro. De nu circulerende munten en bankbiljetten verdwijnen overigens niet meteen. Maar in de loop van het eerste halfjaar van 2002 worden guldens, marken peseta's, lires en francs geschiedenis.

De banken, veel bedrijven en de overheden zijn al volop met de voorbereidingen bezig. De totstandkoming van de muntunie heeft de instemming van een ruime meerderheid van de Nederlanders. De symboolwaarde van de gulden is gering. Het voetbalelftal van Oranje betekent veel meer voor onze nationale identiteit. Consumenten en werknemers lijken zich er nog weinig van bewust te zijn dat een gemeenschappelijke munt de markten voor goederen en arbeid een stuk doorzichtiger maakt. Het kost op dit moment het nodige gereken om te bepalen of een bepaalde wijn in Frankrijk goedkoper is dan in Nederland (gek genoeg is dat in het algemeen gesproken niet het geval).

Straks kleeft in Den Haag en Lyon op de flessen in de supermarkt een prijskaartje dat direct vergelijkbaar is. Consumenten zijn daarmee gebaat, ondernemers moeten op hun tellen passen. Voor werknemers wordt het eenvoudiger om na te gaan of en hoeveel zij erop vooruitgaan wanneer zij elders in Europa een baan aanvaarden. Toch blijft de transparantie van de arbeidsmarkt beperkt, door de grote verschillen in nationale stelsels van belastingen en sociale zekerheid.

Brutolonen uitgedrukt in euro's zijn slecht vergelijkbaar, doordat werkgevers daarop een bedrag aan belasting en sociale premies inhouden dat van lidstaat tot lidstaat behoorlijk uiteenloopt. In 1996 eiste de fiscus in Denemarken, Belgie en Duitsland meer dan veertig procent op van het gemiddeld in de industrie verdiende bruto jaarloon. Met een gemiddelde druk van 39 procent volgde Nederland op de vierde plaats. In landen zoals Griekenland en Portugal claimt de fiscus daarentegen minder dan twintig procent van het gemiddeld verdiende bruto jaarloon.

In werkelijkheid verdienen werknemers in vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie een veel hoger loon dan zij zich tijdens onderhandelingen over hun salaris realiseren.

Hun werkgever maakt namelijk een deel van de totale arbeidsbeloning rechtstreeks over voor de financiering van de sociale zekerheid. In geen enkel land worden deze sociale werkgeverslasten echter als bestanddeel van het brutoloon op het loonoverzicht en bij sollicitatiegesprekken genoemd. De maandelijkse loonstrook en de jaaropgave van het in totaal verdiende loon vermelden de bruto-arbeidsbeloning, exclusief werkgeverspremies voor de sociale zekerheid. Het gevolg is dat werknemers onderschatten wat zij met hun arbeid verdienen. Hun arbeidskosten bestaan - nog afgezien van de aanvullend-pensioenvoorziening en andere `fringe benefits' - immers uit het brutoloon plus de rechtstreeks door de werkgever betaalde sociale lasten.

Voor een doorsnee werknemer in de industrie varieerde in 1996 binnen de ophanden zijnde muntunie de `wig' tussen de totale arbeidskosten voor de werkgever en het bijbehorende nettoloon aanzienlijk. Belgie kent de grootste kloof tussen arbeidskosten en nettoloon (bij de zuiderburen gaat 56 procent van de arbeidskosten naar de fiscus), gevolgd door Duitsland en Italie (51 procent) en Frankrijk (50 procent). Nederland neemt een middenpositie in (44 procent).

In het Verenigd Koninkrijk - dat voorlopig nog niet meedoet aan de muntunie - krijgen doorsnee werknemers liefst tweederde van hun totale loonkosten netto in handen. Dit valt gemakkelijk te verklaren. De sociale zekerheid is aan de overkant van de Noordzee veel schraler, zodat de collectieve lasten lager uitvallen. Bovendien wordt de sociale zekerheid in het Verenigd Koninkrijk grotendeels uit de algemene middelen betaald, in plaats van via sociale premies die uitsluitend op de lonen drukken.

Om geld voor de sobere uitkeringen te vergaren zijn de accijnzen op drank, tabak en onroerende zaken in Engeland hoog opgeschroefd, wat het leven extra duur maakt.

Dit voorbeeld illustreert dat inwoners van `Euroland' die overwegen in een andere lidstaat van de Unie te gaan wonen en werken straks niet alleen de euro's op hun loonstrook moeten vergelijken, maar tegelijk de europrijzen in de winkels. Zo'n vergelijking zal leren dat lonen en prijzen in Nederland relatief laag zijn. Ons land vormt een goedkoopte-eiland in de komende muntunie. Dat is het geheim van het veelbesproken poldermodel. Nederland is voor werkgevers aantrekkelijk door de betrekkelijk lage loonkosten, en voor werknemers door de lage prijzen. Ondanks de recent aangekondigde extra investeringen in de infrastructuur laat zich daarom voorspellen dat de files nog veel langer worden, omdat steeds meer eurolanders afkomen op de vleespotten in de polder.