Te ondiep voor het leven

Nicholas Evans: De wolvenlus. Uit het Engels vertaald door Inge de Heer en Johannes Jonkers. De Boekerij, 420 blz. f 34,90

Nog maar een paar jaar geleden was Nicholas Evans zoals zijn uitgever fijntjes opmerkt `een eenzame freelance producent en scenarioschrijver van matig bekeken documentaires en films.' Zijn wraak smaakt ongetwijfeld zoet. Evans' eerste boek De paardenfluisteraar werd door de critici afgedaan als quasi-literaire kitsch, maar het was een doorslaand verkoopsucces. Inmiddels is het boek door Robert Redford verfilmd.

In zijn nieuwe roman De wolvenlus bouwt Evans verder aan zijn mythe van het ruige Amerikaanse platteland dat wordt bevolkt door rasechte archetypen; de mannen - die meestal rancher zijn - heten Buck en Clyde, zijn vergroeid met hun zadel en koesteren een diep wantrouwen tegen de overheid. De wetenschap dat al deze oer-Amerikaanse beelden bij elkaar worden geschreven door een in Londen woonachtige Engelsman heeft iets bijzonder vermakelijks. De wolvenlus speelt zich af in de dun bevolkte Amerikaanse staat Montana. In 1995 nam de Amerikaanse overheid het besluit om in Yellowstone Park de grijze wolf opnieuw in het wild te introduceren. Doordat wolven enorme afstanden kunnen afleggen is het onvermijdelijk dat er af en toe wolven in de bewoonde wereld opduiken. In de heftige emoties die de aanwezigheid van wolven opriep, zag Evans stof voor een verhaal.

Het fictieve, kleinsteedse plaatsje Hope wordt geplaagd door een roedel wolven. De 29-jarige biologe Helen Ross wordt er door de overheid op uitgestuurd om na te gaan waar de wolven vandaan komen, om hun bewegingen in de gaten te houden en om te proberen te voorkomen dat de veeboeren de - beschermde - wolven afmaken. Evans maakt van het verhaal de aloude strijd tussen goed en kwaad, waarbij Helen Ross tegenspel krijgt van de oude, sluwe Buck Calder, een belangrijke veeboer uit Hope en een geducht vrouwenversierder. In het winterse, ruige landschap van Montana, probeert Helen Ross voortdurend om de woedende veeboeren een stapje voor te blijven.

Evans wilde echter niet zomaar een spannend verhaal vertellen, maar heeft met zijn roman ook een boodschap. De wolvenlus uit de titel is niet alleen de benaming voor een sadistisch instrument dat een wolvenjager in het boek gebruikt om de wolven te doden, maar staat tevens voor de cirkel van het leven, waarin zowel mens als dier een schakel vormen.

Evans' onderhoudende, maar oppervlakkige werk is waarschijnlijk niet het meest geschikte vehikel om dergelijke diepe gedachten te ventileren. Ook de personages die Evans opvoert hebben weinig om het lijf en steken een beetje pover af tegen Evans' hoogdravende bedoelingen. Het is duidelijk dat Evans' kracht niet ligt in het scheppen van unieke literaire karakters. Dat zou allemaal niet zo erg zijn, wanneer Evans niet de eerste 150 bladzijden wijdde aan een weinig overtuigende psychologische contourschets. Hij stapelt cliche op cliche wanneer hij probeert uit te leggen waarom Helen Ross in een verlaten blokhut zonder stromend water midden in de winter wolven wil gaan bekijken of waarom Luke Calder zijn vader trotseert en uiteindelijk Helen te hulp schiet. Gescheiden ouders, verbroken relaties, overleden kinderen, het houdt allemaal alleen maar hinderlijk op in de bikkelharde strijd tussen de wolvenbiologen en de veefokkers, waar het uiteindelijk om gaat.