Status wijken behoorlijk stabiel

Of een wijk in status stijgt of daalt hangt vooral af van de status die de wijk al heeft en van de aard van woningen die er staan, zo blijkt uit een SCP-studie. Het perspectief van nieuwbouwwijken vol goedkope huurwoningen is somber.

Wat goede wijken zijn en wat slechte is relatief eenvoudig vast te stellen. Binnen een gemeente weten bewoners dat meestal wel, en voor een vergelijking tussen wijken in verschillende gemeenten komt je een eind door een aantal elementaire en openbare statistische gegevens op een rij te zetten. NRC Handelsblad deed dit eind vorig jaar voor 2.049 buurten in 33 grote steden.

Goed en slecht zijn echter geen kwalificaties die een buurt voor de eeuwigheid verwerft. Wijken kunnen op de sociale ladder dalen of stijgen. Het vaststellen van zulke ontwikkelingen is niet eenvoudig. Dat komt doordat er over een langere periode geen vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn. Toch heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau gepoogd stijging en daling van buurten over een periode van 25 jaar in kaart te brengen door gegevens van de laatste volkstelling in 1971 te vergelijken met gegevens uit administratieve registers en enquetebestanden uit 1995. Niet alleen gaat het om verschillende gegevens ze hebben ook nog eens betrekking op verschillende gebieden (zogeheten CBS-telwijken in 1971 en viercijferige postcodegebieden in 1995; beide verschillen op hun beurt van CBS-buurten, waarnaar NRC Handelsblad onderzoek deed). Dit betekent dat uitspraken op detailniveau een flinke slag om de arm vergen.

Het algemene beeld is dat de status van een wijk, vastgesteld aan de hand van inkomen, het al dan niet hebben van een baan en opleidingsniveau van de bewoners, behoorlijk stabiel is. Ongeveer de helft van de ruim 3.500 onderzochte wijken zat in 1995 in dezelfde statuscategorie als in 1971. Wijken die er flink op vooruit zijn gegaan worden vooral aangetroffen op het platteland, met name in Drenthe en Overijssel en rondom de stad Groningen.

Wijken die er flink op achteruit zijn gegaan liggen vooral in de vier grote steden, Flevoland de Wieringermeer en Zeeuws-Vlaanderen.

Opmerkelijk is dat een substantiele stijging in de grote steden nergens voorkomt. De wijken die er in de grote steden nog wat op vooruit zijn gegaan zijn doorgaans wijken die in 1971 al een hoge status hadden. Het rapport spreekt van “geen indicatie van het voorkomen van gentrification'. Dat zou echter wel eens kunnen samenhangen met de meeteenheid: viercijferige postcodegebieden in de grote steden herbergen doorgaans duizenden inwoners, en om dan een aanzienlijke stijging van het gemiddelde te bewerkstelligen moet er nogal wat gebeuren. Een paar flinke blokken dure koopwoningen in een arbeidersbuurt zetten daarvoor onvoldoende zoden aan de dijk. Waarschijnlijk zouden wel gebieden van statusstijging kunnen worden aangewezen wanneer de meeteenheid aanzienlijk kleiner zou zijn.

Behalve de ligging blijkt vooral de aard van de woningen bepalend te zijn voor stijging of daling van de status van een wijk. Wijken met veel flats hebben een grote kans om te dalen, wijken met veel vrijstaande woningen en veel koopwoningen hebben een grote kans om te stijgen. In de categorie sterk dalende wijken zijn vooral de wijken uit de jaren vijftig en zestig oververtegenwoordigd. Dat hangt samen met de toen veel gebezigde bouw: kleine, relatief slechte flats. Vooroorlogse wijken vertonen een gemengd beeld: er zijn nogal wat stabiele achterstandswijken, er zijn wijken die aanzienlijk zijn gestegen, maar er zijn ook wijken die aanzienlijk zijn gedaald.

Wanneer een wijk minder aantrekkelijke woningen heeft trekken bewoners die het zich kunnen veroorloven weg.

Hun plaats wordt ingenomen door mensen die minder te kiezen hebben. Dat betekent een daling van de sociale status van de wijk. De nieuwe bewoners hebben vaak minder binding met de wijk, blijven vaak ook korter. Dat verlaagt de drempel voor verloedering, waardoor de wijk nog minder aantrekkelijk wordt. In enquetes wordt dit beeld bevestigd: bewoners ervaren sociaal dalende wijken als relatief onveilig. Ze zijn ook vaker het slachtoffer van een misdrijf dan mensen in andere wijken.

Men zou wellicht verwachten dat de statusontwikkeling van een buurt samenhangt met de aanwezige voorzieningen als winkels, scholen en dergelijke, maar dat is niet het geval. Sterk gestegen wijken zijn vaak pure woonwijken zonder voorzieningen. Omdat de bewoners een auto hebben kunnen ze gemakkelijk gebruik maken van voorzieningen elders. Sterk gedaalde wijken hebben vaak juist heel veel voorzieningen, wat samenhangt met hun veelal centrale ligging in steden.

Op basis van de gesignaleerde verbanden tussen woningvoorraad en statusontwikkeling kunnen ook voorspellingen worden gedaan over de statusontwikkeling van wijken in de komende decennia. Het somberst is het rapport over wijken in de groeikernen waar de afgelopen jaren veel goedkope huurwoningen op een kluitje zijn gebouwd. In de grote steden en de grote suburbs verwacht de onderzoeker vooral stabiele lage statuswijken. Het gunstigst zijn de perspectieven voor de kleine kernen op het platteland en kleinere suburbane gebieden.