Shallow Grave

`What's a little murder between friends?' luidde de slogan waarmee in 1994 de zwarte komedie Shallow Grave aan de man werd gebracht. Hoewel, komedie? Net als de twee latere films van het hier debuterende trio van regisseur Danny Boyle, producent Andrew MacDonald en scenarioschrijver John Hodge, Trainspotting en A Life Less Ordinary, onttrekt Shallow Grave zich aan gemakkelijke genreaanduidingen.

Je zou het net zo goed een horrorfilm, een psychologische thriller, een zedenschets of zelfs een tragedie kunnen noemen. Die lastige classificatie bemoeilijkte ook de marketing van de alleraardigste film, die - zeker in de Nederlandse bioscoop - zo een beetje tussen wal en schip viel.

Ook twee van de drie hoofdrolspelers zijn inmiddels beroemder dan vier jaar geleden: Kerry Fox kenden we al door haar vertolking van de volwassen Janet Frame in Jane Campions An Angel at My Table (1990) maar voor Ewan MacGregor (hoofdrolspeler in de nieuwe Star Wars-serie) en Christopher Eccleston (de voornaamste tegenstrever van Elizabeth) moesten de beste tijden nog aanbreken. Ze spelen drie yuppie-voordeurdelers in een herenhuis in Edinburgh, respectievelijk een vrouwelijke arts, een journalist en een schuwe accountant, die in de eerste minuten van de film gierend van het lachen kandidaten ontvangen voor de vacature van vierde bewoner. De winnaar sterft heel snel aan een overdosis, met achterlating van een tas vol geld, waar niemand om schijnt te malen. Het trio is opportunistisch genoeg om dat leuke bedrag in de zak te steken, en het lijk van de voormalige eigenaar, die nog geen adreswijzigingen verstuurd had, te verdonkeremanen. Het blijkt het begin van een nachtmerrie, met als moraal dat ook goede vrienden en buren elkaar naar het leven kunnen gaan staan, als het grote geld in zicht komt.

Shallow Grave is een voortreffelijk geschreven en met zichtbaar plezier (en flair) geregisseerd semi-morbide publieksfilm, met een zo niet specifiek Schots, dan toch minstens Brits gevoel voor `gothic horror' en zwarte humor. En passant levert de film ook een vernietigend commentaar op de begerigheid van het Thatcher-Major-tijdperk en een blauwdruk van de manier waarop schijnbaar onbekommerd materialisme kan verkeren in het uithollen van de menselijke waardigheid.

En toch vermijdt de film voor de hand liggend moralisme; de vanzelfsprekendheid waarmee het hellende vlak betreden wordt, stemt de kijker bepaald ongemakkelijk.