Nelson kan de zieke Gergjev niet echt vervangen

Terwijl de Rotterdamse chef-dirigent Valery Gergjev thuis in St. Petersburg koortsig ziek met een virusinfectie in bed lag, zaten orkest en publiek gisteravond verweesd in de Rotterdamse Doelen. De concerten van gisteren en vandaag, die morgen en zondag worden herhaald in de Weense Musikverein, waren bedoeld als de viering van de tienjarige verbintenis van Valery Gergjev met Rotterdam. Van een feest was geen sprake meer, vele stoelen bleven leeg. En het concert, nu onder leiding van John Nelson liet een katterig gevoel achter.

De Amerikaan John Nelson, vooral een operadirigent die nu het Parijse Ensemble Orchestral leidt, kon het niet helemaal helpen. Het is ook onmogelijk voor een `gewone' dirigent om een uitzonderlijk dirigent als Gergjev te vervangen. Nelson had slechts twee dagen repetitietijd voor onder andere het massaal bezette Te Deum van Berlioz, waarvoor uit Wenen meer dan honderdtien zangers van de Singverein der Gesellschaft Musikfreunde waren overgekomen. Ook het meer dan vijftig leden tellende kinderkoor van de Haarlemse St. Bavo zong mee, maar het was door een permanent gebrek aan balans niet te horen. De Haarlemse kinderen gaan niet mee naar Wenen, daar zingen uiteraard de Wiener Sangerknaben.

Omdat Nelson Strauss' Tod und Verklarung niet op zijn repertoire heeft staan werd dat stuk vervangen door Brahms Tragische Ouverture. Op zich was het nu een passend begin van dit concert, dat verder ook Brahms' Vier ernste Gesange op het programma had. Maar deze wisseling deed afbreuk aan het thema `dood en hemelse verlichting' van dit concert. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest kon zich nu nog nauwelijks zelfstandig laten horen. De ouverture klonk deze eerste keer bovendien nogal schetsmatig.

In de Vier ernste Gesange, in de orkestratie van Erich Leinsdorf een complement op Brahms' Ein Deutsches Requiem, was de Duitse bas-bariton Albert Dohmen de solist. Zijn pregnante stemgeluid past wel bij de eerste drie liederen met deprimerende teksten uit Prediker en Jezus Sirach waarin hij zich kon laten horen als een profeet met een onaangename boodschap. Maar het laatste lied vraagt om rondere, gevoelsvollere timbres.

In Berlioz' grootse Te Deum is het altijd veel beter om behoedzaamheid als regel te hanteren in plaats van de luid opgezweepte martialiteit, waarmee Nelson nu begon.

De akoestiek van de Grote Zaal van De Doelen is hardvochtig voor grote volumina met veel hoge tonen zoals jaren geleden ook al bleek bij de uitvoering van Mahlers Achtste symfonie onder leiding van James Conlon. Geleidelijk aan werd het iets beter, ook in de bijdrage van tenor Keith Lewis, vooral omdat Berlioz zelf in de middendelen wat terughoudender is. Maar ook daar ontbraken intensiteit en vervoering.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest wil alsnog een feest voor Gergjev organiseren, als hij in januari komt voor het dirigeren van Mahlers Derde symfonie.