Na elke reis een nieuw heelal

In zijn nieuwe bundel dicht Leendert Witvliet over de tijd en de seizoenen, en over hoe die wereld, mens en dier veranderen en toch ook weer niet. Grote woorden heeft hij daarvoor niet nodig. Ook kosmische gevoelens worden eenvoudig verwoord. `Een geluk dat er seizoenen zijn', overpeinst hij bij voorbeeld, want vlogen we in de laatste winter schaatsend over het bevroren water, `nu is het zomer, / ik schrijf je aan de rivier.'

De gedichten van Apen kijken richtten zich tot jongeren van twaalf jaar en ouder. De toon is licht-filosofisch en daarin contrasteren ze scherp met de hilarische boemanverzen voor zesplussers in Momme-la-me-los (1996). In die bundel was Witvliets taal veel potiger - ook in de bespiegelende gedichten over dag en nacht, of kijken en denken. Maar toch, hoe tastend ze ook zijn geformuleerd, de verzen in Apen kijken raken evenzeer de kern van hun onderwerp.

Witvliets kracht is dat hij even betekenisvolle als lichtvoetige verzen kan maken over zulke diepzinnige vraagstukken als: hoe aandachtig moet je dromen om het gedroomde na te kunnen vertellen? En hoe herinner je je die onvergetelijke vakanties op steeds weer, jaar na jaar, hetzelfde strand? Voor aankomende pubers is dit geen buitenissige hersenstof. Witvliet beseft dat blijkbaar en speelt er, even didactisch als dichterlijk, kundig op in. Zijn `Vakantie aan zee' toont hoe melancholische materie poezie kan worden:

Het is hier als alle jaren

en straks zal ik niet meer weten

welk jaar dit was.

De zee heeft geen geheugen

weet niet van vorige zomers.

Alle jaren aan zee vallen samen

in een oceaan van een herinnering

ik weet niet welk jaar dat ene was.

Ted van Lieshout, een collega van Witvliet, beweerde ooit in een interview, dat hij zijn gedichten nooit specifiek voor kinderen schreef. Het kinderlijke element in zijn poezie kwam, zei hij, regelrecht uit zijn eigen kinderlijke ik. Mischien was hij zelfs wel weer kind als hij zijn verzen maakte; maar als ze klaar waren keek hij als een volwassene of ze wel klopten. Het zou mij niet verbazen als Leendert Witvliet op een zelfde manier te werk gaat. Hij schrijft wel voor kinderen, maar hij gaat niet op de hurken, en dat maakt zijn jeugdpoezie ook voor volwassenen interessant. Dit geldt wat mij betreft vooral voor de verzen waarin de menselijke blik, het kijken dus, ter sprake komt. K. Schippers heeft daar treffende dingen over gezegd, maar Witvliet kan er ook wat van. Bij voorbeeld in het slotgedicht van Apen kijken, `Veranderd schilderij'. Het daarin beschreven doek, waarop een weg met hoge populieren, is niet meer zo vrolijk als het was.

Weliswaar is er nog altijd die rij van populieren langs een lange weg

maar waar is die jongen

van een jaar of acht gebleven?

Hij liep daar toch

voor mijn eigen ogen

onder die stom geworden

populieren langs de weg.

Mettertijd krijgen we andere ogen, gaan we anders zien, luidt ook de boodschap in `Reis'. Ver van huis is 't nooit `hoe je dacht dat 't er zou zijn'.

En als je terugkomt

zal het al wat eerder donker zijn

's avonds in je eigen huis

zie je alles als voor het eerst

Ook de sterren zijn dan anders, want `na elke reis', aldus Witvliet, is er `een nieuw heelal'.

En daarmee is dan het zwaarste woord van de bundel gevallen: heelal. Alle andere woorden zijn, wat er ook beschreven wordt, van verrassende eenvoud, doeltreffend, en als ze sierlijk zijn dan zonder smuk. Er is alleen die voortdurende melancholische ondertoon. Maar die is niet zorgwekkend. Bij Witvliet is melancholie immers een vanzelfsprekend onderdeel van geluk.