Leven is schrijven; Project Leonard Nolens

Leonard Nolens: Een lastig portret. Dagboek 1994-1996. Querido, 213 blz. f37,50

`Al mijn notities zijn mislukte gedichten', schreef de Vlaamse dichter Leonard Nolens in Stukken van mensen (1989), het eerste deel van zijn dagboek. Ook uit het vierde, onder de titel Een lastig portret gepubliceerde deel (dat de jaren 1994-1996 bestrijkt) blijkt dat de poezie voor het proza komt. Het dagboek is een `mindere manier', zo lezen we, het `eigenlijke werk' blijft de poezie. Maar helaas, gedichten laten zich niet altijd dwingen, ook niet bij Nolens die toch zijn uiterste best doet zich zo ontvankelijk mogelijk te maken.

Elke dag zien we hem 's ochtends zijn woning in Berchem verlaten, om buiten de stad in een tuinhuisje, omringd door de vrije natuur, plaats te nemen voor het lege papier. Aan het eind van de dag levert dat soms alleen de mededeling op, in het dagboek, dat hij vandaag weer `niets' heeft gedaan. Geen twijfel mogelijk: hier is een dichter aan het woord die zijn metier serieus neemt, met alle ongewisheid die daarbij hoort. Weliswaar voelt hij zich `een beschermde zangvogel die opgesloten zit in het reservaat van de letter', maar dat verhindert hem niet op zoek te gaan naar `de laatste mogelijkheden van een bepaalde, in de ogen van velen waarschijnlijk anachronistische ernst'. Hij wil dingen achterhalen `waarmee niet te spotten valt. En als je ze niet vindt, of als ze niet bestaan, zul je ze maken', spreekt hij zichzelf toe.Allereerst slaat dit op zijn gedichten, verenigd in de verzamelbundel Hart tegen hart, waarvan onlangs een vierde vermeerderde druk is verschenen. Maar wordt er geen gedicht gemaakt, dan is er altijd nog dit dagboek, zijn `veiligheidsklep', zoals al in Stukken van mensen stond te lezen. Het moet gaandeweg een steeds grotere betekenis hebben gekregen, als een soort alibi - naast de poezie - voor zijn bestaan.In dit nieuwe deel vraagt Nolens zich af of zijn dagboek in de loop der tijd is veranderd. Zelf blijft hij het antwoord schuldig, maar er blijkt inderdaad iets te zijn veranderd: het aforistische van zijn eerste notities heeft steeds meer het veld moeten ruimen voor een regulier journaal, waarin de dichter zijn dagelijkse besognes boekstaaft.TuinhuisjeNiet dat Nolens veel bijzonders meemaakt. Hij zit bijna dagelijks in zijn tuinhuisje op Missenburg, hij vertaalt teksten van Handke, Camus en Amery, hij ontmoet andere dichters, hij gaat met vakantie naar Italie en Spanje, hij wordt in het ziekenhuis opgenomen met hartklachten, hij worstelt met de drank en met de sigaretten, hij spreekt met zijn twee zonen en verklaart - op papier - voortdurend zijn liefde aan de vrouw met wie hij samenleeft.

Het middelpunt van zijn preoccupaties blijft niettemin het tweegesprek met zichzelf. `Het onfatsoenlijk mateloze van je nieuwsgierigheid die in de dagelijkse omgang met anderen nooit bevredigd kon worden, heeft zich gericht op je eigen persoon', houdt hij zich voor.Pas in het schrijven komt hij tot leven. Tussen taal en werkelijkheid wenst hij geen onderscheid te maken, zoals bij herhaling wordt betoogd. De meeste mensen mogen daar anders over denken, voor hem is de taal zijn ware realiteit: `Ik schrijf mijn eigen leven en mijn eigen leven schrijft mij'. Het wonderbaarlijke van deze dagboekbladen is, dat je het op den duur echt gaat geloven. De geproclameerde ernst van zijn schrijverschap maakt zichzelf waar. Lees je Nolens, dan valt er niet aan te ontkomen: de literatuur is het werkelijke leven, en de doorgaans aangebrachte grens tussen beide berust op een misverstand.Het maakt zijn dagboek op een bijzondere manier literair. Nolens beschrijft niet hoe hij als dichter zijn dagen doorbrengt, pas in het schrijven komen die dagen tot stand, ook als er niets van belang gebeurt. Intussen is duidelijk dat de literatuur in zijn geval ook het nodige moet compenseren, aan schuldgevoelens, aan angsten, aan misantropie, maar wanneer hij naar aanleiding van de derde druk van Hart tegen hart opmerkt: `De poezie heeft mij mogelijk gemaakt', klinkt dat allerminst gratuit. Daarvoor past deze conclusie te goed bij de consequente wijze waarop Nolens zijn leven heeft ingericht.Volgens een oud romantisch ideaal `leeft' hij zijn poezie. Niet door zich over te geven aan uitspattingen (de tijden van eindeloos kroegbezoek zijn voorbij, al vindt er in dit dagboek ook een terugval plaats), maar door zich gedisciplineerd als een normale werknemer elke dag naar de schrijftafel te begeven.

Het `opzoeken van de stilte, de vervelingen, de soms neurotiserende rust van een nietsdoen' - daaruit bestaat zijn `eigenlijke werk', waarvoor hij met tekst, al dan niet in dichtvorm, wordt beloond.Het blijft desondanks een hachelijk bestaan, niet in de laatste plaats omdat hij het zelf zo ervaart. In Spanje kan hij dan ook met zekere jaloezie naar de dorpsbewoners kijken die zich elke dag na gedane arbeid in de kroeg verpozen, terwijl hij zichzelf schuldig voelt wanneer hij zijn reisgezelschap de rug toekeert om op zijn kamer in zijn cahier te schrijven. Het werk van de dichter is nooit zomaar werk. Vandaar de mengeling van vreugde en gene, wanneer dankbare lezers hem aanspreken: het succes bij de anderen bevestigt iets, dat voor hem zelf nog altijd niet helemaal vanzelf spreekt.Ook het dagboek lijkt voor hem een dergelijke functie te vervullen. Het is alsof hij zich er doorlopend van moet overtuigen de juiste keuze te hebben gemaakt. Een nadeel is wel dat deze aanhoudende zelfbevestiging de tekst op den duur iets monotoons geeft. Wat voor Nolens onmiskenbaar aan een innerlijke noodzaak beantwoordt, klinkt de lezer tenslotte in de oren als bezweringsformules die nauwelijks nog voor hem zijn bestemd. Daarom is het niet moeilijk om met de dichter mee te voelen als hij verzucht: `Het is soms zo vermoeiend om Leon Nolens te zijn'.Nolens lijkt zich van dit bezwaar overigens heel goed bewust te zijn. Zo schrijft hij niet zonder zelfspot dat hij over zijn professionele `eenzaamheid' waarschijnlijk nooit meer `uitgezanikt' zal raken. Toch suggereert het dagboek ook nog een andere uitweg.Onbekend gebiedOf de `gezondheid' van de fictie (die ergens ter sprake komt) hem ooit deelachtig zal worden, is misschien twijfelachtig; hij heeft zich nu eenmaal ten doel gesteld het `onbekend gebied' in zichzelf te verkennen.

Maar voor de afwisseling zou hij bijvoorbeeld ernst kunnen maken met het voorgenomen essay over `zielsverwanten' als Montaigne, Hebbel en Canetti. Of met het boek (Rendez-vous in Bree) over zijn geboortehuis, waarop de eerste bladzijden van Een lastig portret met ontroerende evocaties van zijn gestorven moeder en van een merkwaardige ongehuwd gebleven tante alvast een voorschot nemen.Dat voorschot bewijst dat Nolens, als hij het wil, ook in proza heel goed in staat is de poezie trouw te blijven, en als dankbare lezer kan ik alleen maar zeggen: het smaakt naar meer.