Kunst kweekt goede Britten; De Courtauld Gallery is heropend

Vandaag opent de Courtauld Gallery, het kleinste van de Londense kunstmusea, haar deuren na een ingrijpende verbouwing. Nu is er ook plaats voor de Botticelli's en Brueghels.

Jezus is af. Jozef en Maria staan in de grondverf. Perino del Vaga had nog heel wat werk aan zijn heilige familie. Het is er niet van gekomen. Gelukkig maar. Want wat in voltooide staat misschien niet meer zou zijn geweest dan een middelmatige Raphael-nabootsing, is onaf onvervangbaar: een bevroren moment uit een zestiende-eeuws Italiaans atelier.

Degas' vrouw in het raam is ook niet af. De kamer, de muur haar jurk - ze zijn een paar achteloze vegen. Maar de harde middag in een Parijse straat achter haar hoofd en de weerschijn op haar handen konden niet beter. En daar was het hem natuurlijk om begonnen. Nu Degas het licht had gevangen, kon hij de rest gewoon laten lopen.

De Courtauld Gallery, het kleinste van de Londense kunstmusea, herbergt een aantal wereldberoemde schilderijen, zoals Manets Bar au Folies-Bergeres, Van Goghs Zelfportret met verbonden oor en de grootste Rubens-verzameling buiten Belgie. Maar de stukken uit de bonte collectie zonder sterrenstatus - de schetsen, de onvoltooide stukken en de reeksen vingeroefeningen voor grotere doeken - maken duidelijk wat dit museum ook is: een verzameling voor studenten kunstgeschiedenis, die het schilderen zelf willen betrappen.

Na een sluiting van een jaar voor een ingrijpende verbouwing opent de Courtauld Gallery vandaag opnieuw haar deuren. De wereldberoemde stukken van Monet, Manet, Degas, Gauguin, Van Gogh Seurat en Cezanne zullen nog steeds het meeste publiek trekken. Maar door de verbouwing is er nu voor het eerst ook ruimte voor Italiaanse, Duitse en Vlaamse meesters van een paar eeuwen eerder, die decennia lang veroordeeld waren tot de kelders. Voor een selectie uit de ruim dertigduizend prenten en tekeningen, en voor de typische `studiestukken'.

De Courtauld Gallery toont de collectie van het Courtauld Institute, de prestigieuze faculteit kunstgeschiedenis van de Universiteit van Londen. De Gallery was er eerst: het was de verzameling impressionistische en post-impressionistische schilderijen die de textielmagnaat en filantroop Samuel Courtauld (1876-1947) in 1931 met zijn woonhuis aan de staat schonk, ter nagedachtenis aan zijn vrouw Elizabeth. Britten zouden betere burgers worden als zij in nauw contact stonden met het allerbeste uit het verleden, vond Courtauld.

Het instituut, de eerste kunsthistorische opleiding van het Verenigd Koninkrijk, is van een paar jaar later en draagt min of meer toevallig Courtaulds naam. Voor de school zou aanvankelijk een nieuw gebouw worden neergezet, maar door de economische wereldcrisis trok de ene na de andere geldschieter zich terug. Courtauld redde de onderneming door zijn Gallery als onderdak aan te bieden.

Somerset House

Zestig jaar deelden instituut en museum Courtaulds voormalige woonhuis nabij Hyde Park. De collectie werd in die tijd aangevuld met andere prive-verzamelingen, van Vlaamse altaarstukken tot Italiaanse etsen, van Nederlandse zeventiende-eeuwers tot Spaanse rococo-schilders, en van Engelse aquarellen uit de negentiende eeuw tot Duitse portretten uit de zestiende. In 1990 verhuisde de Courtauld-tweeling naar een vleugel van Somerset House, een wit en vierkant classicistisch complex uit 1780, even ten oosten van Trafalgar Square aan de Theems, en het eerste met overheidsgeld gebouwde kantorenblok van Londen.

Delen van de marine-staf en de belastingdienst zijn er nog steeds gevestigd. Courtauld kreeg de ruimtes die ontworpen waren voor een ander kunstgenootschap, de Royal Society of Arts, maar die al jaren grotendeels leegstonden.

De ruimte was magnifiek, maar het gebouw zelf liet nog steeds veel te wensen over vertelt directeur John Murdoch tijdens een rondleiding door de zalen waar het nog naar lijm en verf ruikt en waar zijn medewerkers de laatste bordjes in de muur schroeven. Pas vorig jaar kwamen de miljoenen beschibaar om de verlanglijst te betalen, afkomstig uit een nieuw, met Loterij-geld gevuld kunstfonds. Een luchtbehandelingsinstallatie voorkomt nu dat de uitlaatgassen van buiten nog langer door het gebouw worden geblazen, de beveiliging is verbeterd, de verlichting is opnieuw aangelegd en de bedompte tapijten hebben plaatsgemaakt voor de lichte grenen vloeren die oorspronkelijk in het gebouw horen en die de ruimtes nog groter maken dan ze al zijn.

Maar bovenal is de indeling `rationeel' gemaakt. “De architectuur vereist simpelweg dat die deur de hoofdingang is', wijst Murdoch bovenaan de brede stenen wenteltrap die toegang geeft tot de nieuwe Renaissance-zaal. “Het lijkt nu vanzelfsprekend dat je daar naar binnen gaat, maar aanvankelijk moest je door dat kleine zijdeurtje.' Niet alles is in oude staat teruggebracht. “Als er een conflict dreigde tussen de architectonische zuiverheid en de schilderijen, kozen we partij voor de schilderijen', zegt Murdoch. Dat blijkt in de Rubens-zaal, waar de in origineel groen-grijs-en-oranje gerestaureerde plafonds aanvankelijk fiks concurreerden met de veelkleurige altaarstukken en landschappen van de meester uit Brugge. Tot iemand op het idee kwam om de wanden niet-authentiek donkerrood te verven. Het experiment lijkt wonderwel geslaagd. Rubens' eigen kleuren worden er intenser door en het plafond vloekt ook niet meer.

De schilderijen hangen min of meer in chronologische groepen bij elkaar.

Die traditionele manier van exposeren past bij de ruimtes van Somerset House: een grote zaal voor de grote collectie Rubens en tijdgenoten, een kleinere voor de minder grote collectie uit de Duitse Renaissance. De reusachtige vierkante bovenzaal met zijn hoge licht, in 1780 gebouwd als expositieruimte voor de Royal Society of Arts, is nu voor de impressionisten. Hier stichtte Sir Joshua Reynolds de leden van de learned society met zijn vijftien lezingen over de Regels der Kunst. Samengevat: wie de kunstenaars uit het verleden goed bestudeert kan zelf kunstenaar worden. Volgend jaar begint Courtauld hier met een serie lezingen op hetzelfde stramien.

Die conservatieve manier van exposeren past waarschijnlijk ook het best bij de degelijke verwachtingen van de meeste bezoekers, grijnst John House, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Londen en onderdirecteur van het Courtauld Institute. “Werken uit verschillende periodes door elkaar hangen, kan interessant zijn, maar is hier waarschijnlijk toch een brug te ver.'

Ganzeveren

Op een plek in het museum is een uitzondering gemaakt op die regel: in de deeltentoonstelling Material Evidence, een selectie uit de meer dan 30.000 etsen, gouaches, aquarellen en tekeningen uit de Courtauld-archieven, waarmee het museum zijn heropening viert. Daar hangt Degas naast Michelangelo en Van Gogh naast Canaletto. Wat hen kunsthistorisch scheidt, telt hier niet - wat telt zijn de technieken die hen binden. Er staat een tafel met ganzeveren, kwasten krijt, potloden, verf, inkt en allerlei soorten papier. Daarmee kan de bezoeker zelf aan de slag, al kan de moed hem ook gemakkelijk in de schoenen zakken met die menigte dode genieen die van de wanden over je schouder meekijken.

Misschien is dat wat Courtauld anders maakt dan een ander museum: al zijn de collecties uit alle windstreken afkomstig en lijkt er soms weinig systeem in te zitten, je voelt dat ze tot een familie horen. In het nieuwe Courtauld komen individuele schilderijen beter tot hun recht, maar het is vooral een geslaagd eerbetoon aan de verzamelingen als geheel. Aan de verzamelaars met hun ideeen over hun maakbare samenleving en aan degenen aan wie ze hun schatten nalieten: de burgers die van kunst willen leren.