Jean Baudrillard: La guerre du Golfe n'a pas eu lieu, 1991; De oogst van onze eeuw

Jean Baudrillard: La guerre du Golfe n'a pas eu lieu. Galilee (1991), 101 blz. f 33,60.

Terwijl honderdduizenden Amerikaanse militairen in Saoedi-Arabie klaarstonden om de Iraakse dictator Saddam Hussein uit Koeweit te jagen, wist een Franse publicist in januari 1991 zeker dat het nooit tot een oorlog zou komen. `De Golfoorlog zal niet plaatshebben', schreef Jean Baudrillard in het dagblad Liberation. De titel was een verwijzing naar Jean Giraudoux' roman La guerre de Troie n'aura pas lieu (1935).

Twee maanden later, toen de kruitdampen boven Koeweit waren opgetrokken, schreef Baudrillard, in hetzelfde dagblad en even stellig: `De Golfoorlog heeft niet plaatsgehad.' De tussenliggende periode van luchtaanvallen en grondoorlog behandelde hij retrospectief in het essay `Heeft de Golfoorlog eigenlijk wel plaats?'

De stelling van Baudrillard was minder absurd dan zijn titels suggereren. In feite beweerde hij dat wat zich in de Golf afspeelde, de ouderwetse naam `oorlog' niet meer verdiende. Het conflict was eerder een `ultra-modern proces van elektrocutie, van lobotomie op een experimentele vijand'. Een spiritistische seance achter het computerscherm, met high tech-militairen die bezwerend vragen: `Golfoorlog, ben je daar?' War processing in plaats van echte oorlog - zoals volgens Baudrillard overal in de moderne wereld de realiteit had plaatgemaakt voor simulaties en `hyper-realiteit'.

La guerre du Golfe, een uitgebreide versie van zijn artikelen, was vooral een provocatie aan het adres van de Nieuwe Wereldorde van George Bush, waarin hinderlijke agressors met chirurgische precisie zouden worden uitgeschakeld door een technologische overmacht. Bush geloofde in die Wereldorde. Baudrillard ook. Met dit verschil dat de laatste de Nieuwe Orde verafschuwde als een imperialistische droom. De Golfoorlog was `de eerste die is gevoerd met het oogmerk om alles wat een inbreuk zou kunnen zijn op het mondiale controle-systeem, te liquideren.'

Baudrillards aanstootgevende boek (hij vergeleek de grondoorlog ook nog even met de vakantie-uittocht in Frankrijk) betekende een hoogtepunt, en een keerpunt, in zijn loopbaan als `intellectuele terrorist'. Baudrillard - pamflettist, filosoof en het zwarte schaap van het Franse postmodernisme - was er al nooit voor teruggeschrokken om de actualiteit te betrekken in zijn nihilistische analyses, die de moderne wereld uiteenrafelden als een systeem van `simulacra', waarin het onderscheid tussen werkelijkheid en illusie elke betekenis heeft verloren.

Maar voor velen was hij nu te ver gegaan. Ironie over de oorlog bleek moeilijk vol te houden, toen Franse troepen werden ingezet. Partij kiezen voor het Westen was na Vietnam weliswaar voor linkse intellectuelen taboe, maar Saddam Hussein, een door het Westen gecreeerde dictator (Baudrillard: `een tapijtenhandelaar') was een weinig sympathiek alternatief. Wat te doen? Uit dit dilemma bood La guerre du Golfe geen uitweg. Het boekje markeerde voor Baudrillards critici zo het failliet van diens hyper-ironische postmodernisme.

Wie hem volgde, had het kunnen zien aankomen. Opgeleid als socioloog, had Jean Baudrillard (1931) zich in de jaren zeventig ontwikkeld tot een van de smaakmakers van de Franse filosofie. Boeken als Simulacres et simulation (1981), Les strategies fatales (1983) en Amerique (1986), geschreven in een associatieve en hallucinerende stijl, vestigden zijn reputatie. Baudrillard liet zich inspireren door het marxisme, Nietzsche, Heidegger, de structuralistische taalfilosofie en Marshall McLuhan, voor analyses van de moderne wereld als een simulatie-spel waarin het onderscheid tussen echt en vals niet meer is te maken. De werkelijkheid is dood, aldus Baudrillard, en het lijk is spoorloos verdwenen. Berucht is zijn opmerking dat Disneyland bestaat om de indruk te wekken dat het Amerika erbuiten wel echt is.

In de vroege jaren tachtig vond Baudrillard gretig gehoor bij progressieve academici en in alternatieve circuits die subversief genoeg waren voor leuzen als `jullie rechtsorde is de onze niet', maar te sceptisch voor de oude `grote verhalen'. Zijn wilde stijl en zijn verbintenis van massacommunicatie, kunst en kritiek spraken sterk tot de verbeelding van die crisisjaren.

Uit zijn observatie over Disneyland blijkt ook het krachtig retorische karakter van Baudrillards werk. Zijn boeken zijn geen wetenschappelijke tractaten, maar eerder een sabotage van het academische idioom, die onze non-werkelijkheid tot uitdrukking moet brengen. `Baudrillard interesseert zich voor de werkelijkheid die ons ontsnapt', schrijft Wouter van Gils in Realiteit en illusie als schijnvertoning (1986). `Dat hieruit een dilemma voortvloeit, moge duidelijk worden, want het is onmogelijk over een dergelijke realiteit een verhaal te houden'. Sterker nog, het begrip `realiteit' verliest hier zijn inhoud.

Debunkers van het postmodernisme, vooral in de Angelsaksische wereld, hebben Baudrillard dan ook graag als kop van jut gebruikt. Hij ontbreekt niet in het geruchtmakende Impostures intellectuelles van de fysici Alan Sokal en Luc Bricmont, een staalkaart van dikdoenerij door Franse denkers die putten uit fysische en wiskundige theorieen die ze half of helemaal niet begrijpen. Bij Baudrillard vinden Sokal en Bricmont een `crescendo van nonsens', zoals zijn opmerking dat de Golf-oorlog zich afspeelde in een `niet-Euclidische ruimte'.

Tegen zulke kritiek heeft Baudrillard een verdedigingslinie. De `werkelijkheid' bestaat volgens hem immers niet meer, en wie zich zo nadrukkelijk buiten het rationele vertoog plaatst, haalt zijn schouders op over de kritiek dat hij irrationeel is. Toch is dat een doekje voor het bloeden. Ook Baudrillard wil het ergens over hebben. Dat blijkt wanneer hij fulmineert tegen de Nieuwe Wereldorde. Uit naam waarvan maakt hij zich daar eigenlijk zo druk over? Baudrillard belandt in dezelfde valkuil als de relativist die ontkent dat waarheid bestaat: ook die ontkenning maakt aanspraak op waarheid.

Baudrillards analyse van de maatschappij als een `tekensysteem' is daarnaast gekritiseerd als een misplaatste toepassing van een linguistische theorie op de samenleving, een die bovendien berust op een onjuiste taalopvatting. Alleen door geen onderscheid te maken tussen semiotiek (teken-leer) en semantiek (betekenis-leer) kan Baudrillard taal beschouwen als een gesloten tekensysteem, dat geen ruimte laat voor mens of werkelijkheid.

Na La guerre du Golfe is het stiller geworden rond Baudrillard, al bleef zijn cult-status intact. Ook in Parijs is opnieuw aandacht ontstaan voor klassieke filosofische vraagstukken. Baudrillards strategieen om op te gaan in `het spel van de wereld' boden geen soelaas voor intellectuelen die in plaats van distantie een nieuw engagement zochten. Bovendien kreeg hij (evenals zijn opponenten, de montere probleem-oplossers van George Bush) domweg ongelijk inzake de Nieuwe Wereldorde. In plaats van die Orde kregen we Bosnie - en ouderwetse, modderige morele dilemma's.

Zijn grootste successen boekte Baudrillard sindsdien in Amerika, onder linkse literatuur- en communicatiewetenschappers die zich in het Reagan-tijdperk aan de universiteiten verschansten. En ook daar roept zijn werk verzet op, en niet alleen in het kamp van de vijand. Richard Rorty, een bewonderaar van Franse denkers als Derrida, heeft Baudrillards boeken gehekeld als meta-hypes: het zijn absurde uitvergrotingen van media-hypes, zoals die over het `elektronische' karakter van de Golfoorlog. Dat komt ervan, meent Rorty, als je `de essentie van wat er aan de hand is, probeert te vinden door de ingewanden van tijdschriften te lezen'.

Auteurs als Baudrillard moeten volgens Rorty weliswaar niet letterlijk worden genomen.

Ze formuleren geen theorieen, maar creeren vocabulaires waarmee we nieuwe, hopelijk interessante beschrijvingen van onszelf kunnen geven, zoals eerder de Romantiek ons leerde, of Freud. Maar volgens Rorty bevorderen Baudrillards boeken hooguit een soort cynische wereldwijsheid: `wel weten hoe het zit met de maatschappij'. Het is het wereldbeeld van een vervreemde intellectueel, die zichzelf probeert te beschermen tegen het appel dat de wereld op hem doet, meent Rorty, en een betreurenswaardige vergissing. Disneyland ligt ergens anders.