Halfslachtige wraak op een oorlogsmythe; Het beeld van `Putten'

Putten is lang geassocieerd met `wraak'. Nadat eind september 1944 een verzetsgroep in de buurt van dit Veluwse dorp een Duitse legerauto overviel, waarbij een Wehrmacht-officier zwaar gewond raakte, zocht de bezetter vergelding.

De volgende dag, zondag 1 oktober 1944, zetten Duitse troepen de bebouwde kom van Putten af. Alle bewoners kregen het bevel naar het centrum te komen. Daar werden de mannen tussen de zeventien en de vijftig jaar, ruim zeshonderd in getal, uit de groep geplukt en opgesloten in de hervormde Oude Kerk. De volgende dag voerden de Duitsers hen weg, eerst naar het `polizeiliches Durchgangslager' Amersfoort en van daar naar werkkampen in het noorden van Duitsland. Enkele tientallen huizen in de Puttense dorpskern werden in brand gestoken.

Toen na de bevrijding bleek dat van die zeshonderd man slechts een dertigtal het barbaarse kampregime had overleefd, sloeg een golf van ontzetting en mededogen door Nederland. De dagbladen besteedden veel aandacht aan de tragedie van Putten, `het dorp der weduwen'. `Putten' werd in een adem genoemd met `Lidice' en `Oradour', namen die een internationaal begrip werden voor de weerzinwekkende represaille-acties waaraan Duitse troepen zich overal in bezet Europa schuldig hadden gemaakt.

Over `Putten' zijn sindsdien verscheidene boeken verschenen. Bovendien besteedde dr. L. de Jong er in deel 10 van zijn serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog uitgebreid aandacht aan. En nu ligt er dus het omvangrijke werk over De razzia en de herinnering. Waarom? Daarover is de auteur, historica Madelon de Keizer, werkzaam bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, vaag. In haar inleiding schrijft ze beurtelings dat haar boek beoogt `een microhistory (cursivering van MdK) van oorlog en bezetting te zijn' en dan weer dat haar `werkelijke onderwerp' is `de manier waarop de Nederlandse bevolking in en na de bezetting omging met het verleden van de Tweede Wereldoorlog'. De ene keer is haar boek `een case-study die goed kan dienen om na te gaan hoe dat verleden door de mensen verwerkt wordt', dan weer zijn de `morele en ethische dilemma's van een samenleving in oorlogstijd immers het onderwerp van dit boek'.

Deze besluiteloosheid wordt weerspiegeld in de volgorde van de hoofdstukken. Volgens een logica die kennelijk alleen de auteur goed voor ogen stond is de chronologie, en daarmee de keten van oorzaken en gevolgen uiteengereten. Zo krijgt de lezer pas een poging tot karakterisering van de Duitse razzialeider Oberst Fullriede voorgeschoteld lang nadat hij in het boek in actie was.

De reconstructie van de aanslag volgt op de beschrijving van de gevolgen ervan. Het lot van de Puttenaren in het kamp wordt her en der verspreid onder de loep genomen.

Compleet

Ook de bijna encyclopedische allesomvattendheid - met evenveel recht had de studie Putten compleet kunnen heten - versterkt de indruk dat de auteur haar onderwerp niet heeft kunnen afbakenen. Dat sommige delen van de tekst niet de slaap verwekken die volledigheid gewoonlijk oproept, komt doordat De Keizer wel uit de voeten kan met puur verhalende passages. Dat geldt bijvoorbeeld voor de toedracht van de aanslag en het verloop van de razzia. Ontroerend beschrijft ze hoe de Puttenaren na de oorlog stap voor stap en heel voorzichtig in het reine kwamen met de bevolking van het Noord-Duitse dorp Ladelund, dat zijn naam gaf aan het werkkamp waar verreweg de meeste van de Veluwse gevangenen zijn omgekomen.

Maar dit zijn eilanden in een onbestemde feiten zee waarop de lezer nog lang blijft ronddobberen. Pas halverwege het boek begint zich een thema uit te kristalliseren. De Keizer wekt de indruk strijd te leveren tegen een geheimzinnige vijand. Langzaam wordt zichtbaar wie en wat zij bevecht: de publieke opinie, die een volkomen verkeerd beeld zou hebben van Putten en de Puttenaren, en daarmee van de Puttense tragedie. Algemeen denkt men volgens haar dat het hoge sterftecijfer van de Puttenaren in de werkkampen het gevolg was van de bekrompen, in zichzelf gekeerde christelijke cultuur in het dorp. Daardoor hadden de Puttenaren zich niet aan het keiharde kampleven kunnen aanpassen. Een koud, kil geloof bood hun in tijd van benauwenis geen troost; dat had hun weerbaarheid aangetast.

Dat dit beeld zo algemeen ingang vond in Nederland, wijt De Keizer aan de naoorlogse moderniseringsgolf, `die gepaard ging met een van stedelijke waarden doortrokken beschavingsoffensief'.

Daardoor werd volgens haar `het ``dorp Putten' op de Veluwe het prototype van het verstarde vooroorlogse Nederland dat de linkse randstedelijke en intellectuele elite tijdens de bezetting nu juist zo sterk aan kritiek had onderworpen'. Zij concludeert ingehouden: `In het nieuwe Nederland van na de bezetting was geen plaats voor een ``anomalie' als Putten.'

Wordt hier een open deur ingetrapt of een revolutionaire stelling geponeerd? Dedain van de grote stad voor het platteland is er toch altijd geweest? Dat is ook geen specifieke eigenschap van randstedelijke linkse intellectuelen, bij wie zich juist vaak een naieve, romantische voorstelling van het buitenleven manifesteert.

Maar de verwarring wordt nog groter. Omdat De Keizer is gepromoveerd op een proefschrift over het progressieve verzetsblad Het Parool, moet zij het ideeengoed van de linkse, niet-communistische illegaliteit goed kennen. Dan weet zij dus dat alle idealen waarvoor die intellectuele voorhoede zich gedurende de bezetting sterk maakte, zoals ontzuiling, planeconomie, een vrij `Indie', na de oorlog onmiddellijk onder het tapijt zijn geveegd. Nu wil zij ons doen geloven dat diezelfde elite sinds de bevrijding het denken over de oorlog in een ijzeren greep hield, en dat Putten daarvan het slachtoffer is geworden. Het valt wel erg moeilijk hierin mee te gaan.

Monstrum

Na dit monstrum van randstedelijk parti pris uit zijn schuilplaats te hebben gesleurd, gaat De Keizer het bladzijden lang te lijf. Ze citeert uit talloze preken van Puttense dominees waaruit moet blijken hoe troostend, en helemaal niet kil, Gods woord in dit dorp is verkondigd. Zij komt met cijfers die aantonen dat vanaf eind 1944 de sterfte in de Duitse werkkampen door de abominabele voedsel- en hygiene-toestanden zo hoog was dat het maatschappelijke en/of godsdienstige milieu van de gevangenen er niet meer toe deed.

Overleven was toeval, punt.

Daar zit ongetwijfeld veel waars in en Putten zal ongetwijfeld blij zijn met die flinke mevrouw die de linkse heidenen uit de grote stad eindelijk eens de oren wast. Niettemin blijft de vraag waaruit blijkt dat er inderdaad een negatieve communis opinio over Putten bestaat of heeft bestaan. Er zijn aanwijzingen genoeg voor dat het Nederlandse volk een trauma heeft overgehouden aan het onvermogen de joden te redden. Voor een gebeurtenis van een beperkte draagwijdte als `Putten', hoe vreselijk ook, is dat veel moeilijker. Daarom is De Keizers nemesis ongrijpbaar.

Concreet baseert zij haar these van een samenzwering van idees recues tegen Putten op uitlatingen van vijf of zes mensen, die volgens haar echter `velen' hebben beinvloed. Vaststaat alleen dat dit vijftal, een teleurgestelde gereformeerde predikant, twee VARA-documentairemakers die met hun geloof der vaad'ren nog een appeltje hadden te schillen, een NCRV-radiomaker en een psychiater, vooral elkaar hebben beinvloed. Dat is te weinig om een boek van bijna 450 bladzijden te rechtvaardigen. Daarom pompt zij haar tegenstander tot huizenhoogte op.

Als `oerbron' voor de negatieve beeldvorming over Putten wijst De Keizer naar de bekende Amsterdamse psychiater prof. dr. A. van Dantzig. Om het gewicht van deze misleider van het nationale geheugen te onderstrepen, schildert zij uitgebreid zijn wetenschappelijke carriere: proefschrift, psychoanalyticus, directeur van het Amsterdamse Instituut voor Medische Psychotherapie, bestuurslid van het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap. De bedoeling daarvan is aannemelijk te maken dat er naar zo'n man wordt geluisterd. Bovendien is Van Dantzig voor haar het prototype van de linkse intellectueel uit het progressieve verzet: hij werkte voor het illegale Parool.

Dat zijn bijdrage aan de opinievorming in dit blad kennelijk dermate gering was dat zijn naam niet in De Keizers proefschrift over Het Parool voorkomt, is in haar jongste boek geen overweging.

Evenmin staat zij stil bij het door haar zijdelings genoemde feit dat Van Dantzig nog helemaal geen psychiater was toen hij in 1946 in het linkse weekblad De Baanbreker onder de titel `De tragedie der Puttenaren' het artikel publiceerde waarmee volgens De Keizer het onheil begon. In dat stuk had hij geopperd dat vooral de `sociaalculturele achtergrond' van de Puttenaren debet was aan hun snelle sterven in kamp Ladelund.

Die achtergrond werd, in De Keizers woorden, `door de politiek linksgeorienteerde schrijver van ``De tragedie der Puttenaren' verworpen als basis om zich geestelijk zodanig teweer te stellen dat men het leven in het kamp aankon. Zij hadden daarvoor eenvoudigweg geestelijk noch politiek voldoende in huis. Ook de religie van de Puttenaren werd door Van Dantzig en velen na hem niet erkend als een religieus levensprincipe dat mensen weerbaar maakte'. Kortom, de arrogante randstedelijke intellectueel zet de Puttenaren volgens De Keizer weg als achterlijke gereformeerde boerenpummels.

Traditie

Wie Van Dantzigs artikel raadpleegt, ziet evenwel dat hij inderdaad niets specifiek positiefs zegt over de rol van de godsdienst, maar - en daar gaat het om - ook niets negatiefs. `Putten is een landelijk dorp,' constateert hij. `De bevolking rechtsprotestants, heeft zin voor traditie, en onderhoudt een warm onderling contact.' Waarna Van Dantzig concludeert dat een groep die uit zo'n milieu van `zekerheid en continuiteit' wordt weggerukt, moeite zal hebben zich aan te passen aan de ruige omstandigheden in een concentratiekamp.

De Keizer verwijt Van Dantzig zijn beweringen te hebben gedaan op een `wel erg smalle historische basis' en zonder `empirisch onderzoek'. Wat de zeden en gewoonten in Putten betreft, is dat juist, al zijn Van Dantzigs uitspraken over Putten niet bepaald gedurfd. Naar de Puttenaren in de kampen echter heeft hij meer empirisch onderzoek gedaan dan hem ongetwijfeld lief was.

Van Dantzig had net zijn doctoraal examen medicijnen gedaan toen hij in 1944 wegens zijn verzetswerk werd opgepakt. Toevallig kwam hij in hetzelfde kamp terecht als de meeste Puttenaren, en werd hij gelijk met hen op transport gesteld naar een ander kamp. Zijn artikel in De Baanbreker berustte niet op theorie, maar op eigen waarneming. Ook hem had het destijds verbaasd, zo blijkt uit het stuk, hoe snel en talrijk zijn lotgenoten uit Putten in de kampen bezweken, ofschoon ze in een uitstekende lichamelijke conditie waren aangekomen. Maar het was Van Dantzig opgevallen dat de Puttenaren door hun gedrag hun kans op overleven zelf ondermijnden. Zo wisten ze dat het water in het kamp besmet was, maar dronken ze het toch. Ze werkten zo hard alsof ze op hun eigenland stonden, terwijl het zaak was energie te sparen. Ze gingen niet in de rij staan voor een bezoek aan de kampdokter om hun wonden te laten verzorgen, en dat terwijlinfecties de voornaamste doodsoorzaak vormden. Voor dit kennelijk afwijkende gedrag zocht Van Dantzig naar een mogelijke verklaring.

Zijn voornaamste slotsom is al genoemd: abrupt overgeplant van een veilige, geborgen samenleving, konden de Puttenaren de schokkende afdaling in de hel van het kamp slecht aan. Zij lieten de werkelijkheid des te moeilijker tot zich doordringen omdat ze volkomen onschuldig in het kamp waren beland niet als gevolg van eigen daden.

Bovendien werkte het feit dat ze `als groep' werden gevangengezet in Van Dantzigs visie averechts: er was zoveel vertrouwds om hen heen dat daardoor hun blik op de rauwe nieuwe realiteit werd vertroebeld.

De Keizer doet Van Dantzigs conclusies af met het argument dat hij te weinig van de hopeloze toestanden in de kampen afwist op het moment dat hij zijn `Tragedie der Puttenaren' schreef. Maar hij was erbij! Blijkbaar onderscheidde de Puttense groep zich in haar gedrag van de overige gevangenen, en had dat rechtstreeks gevolgen, zoals hij observeerde. Als deze empirische ervaringen er uiteindelijk niet toe doen, mag De Keizer uitleggen hoe het kwam dat Van Dantzig zand in zijn ogen had.

Ervaringsdeskundige

Dat De Keizer de confrontatie met de bevindingen van deze ervaringsdeskundige volledig uit de weg gaat, is het zwakste punt van haar boek. Dat doet ze trouwens niet alleen ten opzichte van Van Dantzig. Waar in haar boek andere oudgevangenen met soortgelijke waarnemingen als hij aan het woord komen, heten zij bij De Keizer `beinvloed' door Van Dantzig. Op deze manier worden getuigen wier verklaringen niet stroken met de al ingenomen stelling van de auteur, verdacht gemaakt. Niet voor niets is de redenering `post hoc ergo propter hoc' (aannemen dat B wordt veroorzaakt door A omdat B na A komt) een van de klassieke fouten die in de geschiedschrijving worden gemaakt.

Een extra reden om Van Dantzigs hypothese niet achteloos van de hand te wijzen,is te vinden in een artikel van de sociologe Jolande Withuis in het meinummer van het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid (MGv) uit 1997. Inhakende op een discussie over de beste hulpverlening aan door oorlog en geweld getraumatiseerde vluchtelingen toetst zij Van Dantzigs stelling over de nadelige uitwerking van een groepsgevoel in gevangenschap aan de ervaringen van communisten in Duitse kampen.

Withuis komt tot de conclusie dat een groep de kans op overleven van een individu juist verhoogt, mits de negatieve factoren die door Van Dantzig zijn genoemd, zijn vervangen door positieve.

Communisten kwamen niet uit een geborgen situatie in het kamp, omdat ze al veel langer werden vervolgd. Daardoor waren ze weerbaarder. Van groot belang was verder het besef dat hun gevangenschap als het ware een `beloning' was voor hun verzetswerk. Het sterkte hun gevoel van eigenwaarde, en het gaf hun lijden in het kamp een zin. De vraag welke tegenargumenten De Keizer in stelling kan brengen, is interessant. Maar zij noemt dit artikel van Withuis noch MGv in haar literatuurlijst, die onder andere Psychologie en Maatschappij en het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde omvat. Gezien de algehele omvang van die lijst, waarop zelfs het Vlaams Tijdschrift voor theologie en pastoraalwerk prijkt, is nauwelijks aan te nemen dat De Keizer van het bestaan van MGv niet op de hoogte is. Putten, nog altijd dorp der wrake.