Een persoonsdromen; De outsider-kunst van Willem van Genk en Tito Zungu

“Het is opvallend hoeveel outsider-kunstenaars (dat woord ben ik onderhand spuugzat) vliegtuigen tekenen.' Pam Emmerik over de kunst van regenjassenverzamelaar Willem van Genk en Tito Zungu, de envelopverluchtiger uit KwaZulu/Natal.

ONBETAALBARE VLIEGREIZEN 1977, staat er geschreven op het schilderij. En HERMANS EMMINKS WERELDSNOEPREIS. SOLDATEN IN EINSATZ. JOEGOSLAVEN IN HET FRANS HALS MUSEUM. WAFFEN IM EINSATZ staat vlak naast HOMODAG, daarboven staat VRIJE GEDACHTE '80, en daarboven staat weer DE ISLAM NU. Zelfportret-zwakzinnigennazorg heet het schilderij van Willem van Genk en het middengedeelte ervan wordt in beslag genomen door het portret van een man in pak, ruitjesbloes, stropdas, bril. Hij staart het beeld uit. In de betegelde ruimte achter hem schenkt een ober, een peuk onhoffelijk in zijn mondhoek, koffie in. Made in Italy expresso staat er op de koffiekan gepriegeld. Onder en boven de mannen dansen roze driehoeken over een baan revolutionaire teksten in het Pools, Russisch en zelfs Hebreeuws. Er staan postkoetsen op het schilderij. Ook Arabieren, ruines en kerktorens. Het interieur van een kapsalon. Een vliegtuig dat opstijgt. En vergeet niet dat Max van der Stoel in 1975 een wereldreis maakte.

Het werk van Willem van Genk wordt outsider-kunst genoemd, een term die de plaats ingenomen heeft van art brut, alsof buitengesloten zijn minder erg is dan rauw genoemd worden.

De Franse kunstenaar Jean Dubuffet gaf de naam art brut aan het werk van eenzelvige amateurs, onschuldige kinderen en schuldige gevangenen, geestelijk gehandicapten, maar vooral psychiatrische patienten, waarvan hij vanaf 1945 een enorme verzameling aanlegde die permanent in Lausanne te zien is.

Dubuffet had de pest aan de geboden en verboden van de kunstwereld en vond in de art brut een vitale eigenzinnigheid die de officiele kunst leek te ontberen. In 1864 schreef de Italiaanse psychiater C. Lombroso een boek (Genio e Follia) over de relatie tussen genialiteit en waanzin.

Vanaf dat moment werd er steeds meer onderzoek gedaan naar de overeenkomsten en verschillen tussen geesteszieken en geniale kunstenaars. Voor veel mensen is er overigens nauwelijks onderscheid tussen kunst en geschiftheid. Ook worden oorzaak en gevolg met elkaar verward. Een meisje dat ik kende, een middelmatige kunstenares die met zware depressies kampte, vertelde me ooit hoopvol dat veel grote kunstenaars zware depressies hadden. Alsof je de kwestie kon omdraaien en van de depressies een beter kunstenaar zou kunnen worden. Zij kerfde ritmische patronen in haar armen.

Tegenwoordig is dat artistiek, toentertijd voornamelijk zorgwekkend. Op haar zelfportretten had ze enorme ogen en een ongezond blauw hoofd, soms paars expressionistisch noemde ze dat. Ze sprak over zelfmoord alsof het een geliefd huisdier was. Vanaf haar achttiende had ze vijf jaar in een inrichting doorgebracht, alles diende dus uitgepraat te worden, bij voorkeur midden in de nacht. Na die keer dat ik het dak aan het repareren was en zij de ladder waar ik opstond wegtrok, omdat ik naar haar zin niet snel genoeg naar beneden kwam, had ik er genoeg van. Wie niet begreep dat een lekkend dak boven een therapeutisch gesprek ging, was goed gek.

Schizofrenie

Rond 1920 werd het begrip `schizofrenie' geintroduceerd. Een groot deel van de art brut-kunstenaars zijn schizofreen. Schizofrenen lijden aan gedachtestoornissen waanvoorstellingen, hallucinaties. Vaak hebben ze een bijzonder taalgebruik dat niet meer in de eerste plaats op communicatie gericht lijkt. Brieven worden soms van voor naar achter en van achter naar voren van boven naar beneden door elkaar beschreven. Brieven aan de wereld zijn het, die nooit terugschrijft.

(Vrij naar Emily Dickinson koningin-buitenstaanster.)

De dichter Andre Breton werkte in de Eerste Wereldoorlog als verpleger in een psychiatrisch ziekenhuis en werd diep geraakt door de taal van krankzinnigen, die samen met de theorieen van Freud de grondslag zou gaan vormen van het surrealisme. In het Manifeste du Surrealisme uit 1924 stond dat kunst een puur psychisch automatisme zou moeten zijn, een uiting van gedachten, ongehinderd door rede, esthetische of morele bedoelingen. Een oorlog later zijn het de Cobra-kunstenaars die hun heil zoeken bij de veronderstelde zuiverheid van art brut. Niet vreemd, want vergeleken met een krankzinnige oorlogsmachine steken gewone onnozelaars gunstig af.

Het belangrijkste verschil tussen outsider-kunst en prof-kunst is dat professionele kunst zich altijd verhoudt tot andere kunstwerken. Voegt het kunstwerk iets toe aan de traditie of forceert het misschien een breuk? Kunst is een spel met hoge inzet - de kunstenaar zelf - waarvan de enige wettelijke spelregel die toetsing aan de geschiedenis is. Het verleden lanceert de toekomst. Maar een traditie moeten voortzetten kan tot verstarring leiden. Daarom wenden kunstenaars zich voor inspiratie zo vaak tot kunst die buiten hun eigen traditie staat, outsider-kunst maar ook kunst die uit een andere traditie stamt, de Afrikaanse bijvoorbeeld.

Nu, aan het eind van de twintigste eeuw, lijkt er nog een nieuwe stroming in opkomst, de insider-art, gemaakt door mensen die voortdurend in de aandacht van de media staan en daar een beetje van in de war zijn geraakt. Hun schilderijen voegen niets toe aan de kunstgeschiedenis en ontberen tevens het gedrevene, de originaliteit van outsider-kunst.

Vertegenwoordigers van deze kunststroming zijn onder anderen Viola Holt, Ria Valk en Patty Harpenau, met Arnon Grunberg als veelbelovende nieuwkomer.

Schoenen poetsen

Willem van Genk wordt in 1927 geboren in Voorburg. Als baby heeft hij twee ernstige bloedingen. Zijn vader redt hem het leven door anderhalve liter bloed af te staan. Van Genk is een gesloten kind, hij leert slecht en wast zich zelden. Zijn vader tracht hem rekenen bij te brengen door hem klappen om zijn oren te geven, links, rechts, die hij moet optellen en aftrekken. Als hij tien is wordt hij in een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens geplaatst. Schoenen poetsen is het enige dat hij er leert. Vervolgens heeft hij allerlei baantjes. Bij een reclamebureau zijn ze blij met Van Genks tekentalent. Alleen kan hij als een advertentie klaar is niet stoppen met tekenen, er moet en zal een sierrand om komen. En nog een.

Voor een schoenmaker mag hij gerepareerde schoenen rondbrengen maar Van Genk rijdt naar het station om naar de treinen te kijken en vergeet de schoenen. Hij verlangt ernaar om te reizen. Hij leest boeken over de Tweede Wereldoorlog, vreemde landen, architectuur, treinen godsdiensten, staatshoofden en meer. Hij wordt tewerkgesteld door de Arbeidsdienst voor Onvolwaardigen. Onvolwaardig genoemd worden, het raakt hem diep. Als zijn vader hertrouwt, zet hij zijn zoon wegens vervuiling uit zijn huis. In het pension waar Van Genk gaat wonen moet hij zijn kamer delen. Dus gaat hij 's avonds naar zijn zuster, een uur lopen, om daar te kunnen tekenen. Zij houdt een tafel vrij voor zijn tekenspullen. In 1964 zal hij bij haar intrekken. Na haar dood erft hij het huis.

Van afbeeldingen in fotoboeken en reisgidsen reconstrueert Van Genk al tekenend steden.

Hij zoekt de locaties van gebouwen op een plattegrond op om zich hun samenhang te kunnen voorstellen. De werken die zo ontstaan hebben een enorme dynamiek en ruimtewerking. Je wordt het beeld ingezogen en weer uitgekaatst. De twintigste eeuw is de eeuw van de snelheid, heeft Van Genk gezien. Hij schildert de koortsachtige opwinding van het moderne leven nauwgezet: trams, treinen, brommers bussen, vliegtuigen, zeppelins, metro. Zoeven allemaal langs kerken kruispunten, viaducten, elektriciteitsmasten, mensen, wolkenkrabbers hamer-sikkel-boeddha-homo-hakenkruisen-vredesdemonstraties. De twintigste eeuw is de eeuw van de snelle consumptie, heeft Van Genk gezien en hij schildert haar minutieus: gevels en stations, wegwijzers, bussen vol uithangborden en aanplakbiljetten, zuilen met affiches, lichtreclames de ganse neem me & eet me wereld van Peter Stuyvesant en McDonald's.

Het verkopen van zijn kunstwerken valt de argwanende Van Genk zwaar. Hij bedingt bij zijn galeriehouder dat die zijn werk niet aan particulieren verkoopt. Het liefst zou hij zijn werk thuis houden, waar het hem beschermt tegen de buitenwereld, die hij angstaanjagend vindt, vol gebeurtenissen waarvan hij de samenhang niet begrijpt. Vandaar misschien ook die fascinatie voor het openbaar vervoer dat op vaste tijden een afgesproken traject aflegt. Alsof de samenhang tussen al die aanstormende trams, bussen en treinen het systeem achter alles dat er gebeurt in de wereld zichtbaar zou kunnen maken.

In de schilderijen van Van Genk komen veel kapsalons voor. Volgens hem zijn het net kijkdozen, maar dan in het groot. Als kind vond hij het een geheimzinnig, zoetgeurend ritueel wanneer vrouwen hun haar lieten wassen door de kapper.

Als volwassene windt zeepsop hem hevig op. Soms kan hij zich niet bedwingen en toont hij de dames zijn erectie. Dat brengt hem in problemen. Op aanraden van zijn psychiater bezoekt hij een tijdlang prostituees. `Vriendschapsgirls' noemt hij ze, `droomladies'. Tegen extra betaling komen ze bij hem thuis om in de keukengootsteen hun haar te wassen terwijl Van Genk toekijkt. Een andere obsessie, die hiermee samenhangt, vormen de regenjassen die hij verzamelt. Ze herinneren hem aan de Gestapo, die hem een keer heeft ondervraagd over zijn vader, die in het verzet zat, en aan machthebbers in het algemeen. “Ben ik een vleermuis of een hoge militair. Noem mij gerust commandatore. Krijg je antwoord!' Hij heeft honderden regenjassen. Na aankoop bewerkt hij ze met drukknopen van de Hema en beschouwt ze dan als even waardevol als zijn schilderijen, zo niet waardevoller. Hij draagt zijn `raincoats', zoals hij ze noemt, meestal maar een keer. Het dragen van de jas windt hem kortstondig op, daarna is de magie uitgewerkt. Volgens Van Genk zijn regenjassen voor mannen wat lingerie voor vrouwen is.

In de jaren tachtig wijdt hij zich, zonder er met iemand over te praten, geheel aan het maken van trolleybussen van karton. Als hij onder dwang wordt opgenomen in een inrichting, vindt zijn galeriehouder tot zijn verbijstering een stuk of veertig trolleybussen opgestapeld in de douche of verborgen onder Van Genks bed. Het hele huis is sterk vervuild door de stront van zijn hond Coco, die hij niet meer durfde uit te laten.

Alcoholisten

Bij outsider-kunstenaars neemt hun persoonlijke leven de plaats in van de kunstgeschiedenis; het is de bedding waardoor hun werk stroomt. Sommige professionele kunstenaars hebben na het post-modernisme een dergelijke positie gekozen.

Zij willen hun werk niet langer aan de traditie toetsen, alleen persoonlijke ervaring telt nog. Maar er wordt wel opmerkelijk veel gewerkt met blinden debielen en alcoholisten. Allemaal outsiders. Uiteindelijk is het dus niet meer dan de zoveelste poging om de kunst te vernieuwen door middel van rauwe, primitieve impulsen.

Outsider-kunst is een ruim begrip. De ene outsider is de andere niet. Het werk van Tito Zungu, geboren in 1939 in KwaZulu/Natal onder de naam Nganeziyamhionipha wat `hij die gerespecteerd wordt door jongens en meisjes' betekent, valt er ook onder. Hij is niet gek of gehandicapt, maar zwart en ongeschoold. Hoewel dat binnen de politieke realiteit van Zuid-Afrika wel als een handicap gezien kan worden.

Vanaf 1957 maakte Zungu jarenlang fijnzinnig gedetailleerde tekeningen op enveloppen die hij voor een klein bedrag aan andere arbeiders verkocht, die net als hij in de stad werkten terwijl hun gezin ver weg in een van de door de Apartheid ontstane `thuislanden' woonde. Meestal tekende hij vliegtuigen, rijk versierd als moderne totems maar ook gedecoreerde huizen, vlaggen en transistorradio's. Schitterende miniatuurkunstwerken zijn het, die envelopverluchtigingen.

Zungu woont nu met vrouw en kind in afzondering op een boerderijtje in de heuvels van KwaZulu/Natal. Hij tekent niet meer op enveloppen maar op goed papier. Als hij een tekening af heeft, wat ongeveer een maand duurt, moet hij uren reizen, te voet, met bus en trein, om het werk af te leveren bij een galerie in Durban. Aan het tekenen zelf gaat een uitgebreid ritueel vooraf. Zungu, die overdag het land bewerkt, baadt eerst en rust dan. Hij concentreert zich tot `zijn bloed zegt dat hij kan beginnen'.

The middle smile noemt hij het gevoel dat je moet hebben om goed te kunnen tekenen. Ergens tussen lachen en niet lachen in zit het. Zungu is erg religieus. Vaak plakt hij een bidprentje van Maria of Jezus op de achterkant van zijn tekeningen. Hij kan moeilijk van zijn werk scheiden. Als hij ze verkoopt kust hij ze vaarwel.

Het is opvallend hoeveel outsider-kunstenaars (dat woord ben ik onderhand spuugzat) vliegtuigen tekenen. In de catalogus bij Van Genks tentoonstelling wordt er een aantal genoemd. August Walle, wiens werk vrij bekend is. Gustav Mesmer, die vliegtuigen combineerde met fietsen en installaties maakte van paraplu's in de hoop daarmee te kunnen vliegen. C.A.A. Delschau tekende twintig jaar van zijn leven boeken vol luchtschip-ontwerpen. Of Leslie Payne, die acht vliegtuigen maakte van hout en vodden en zijn eigen vliegveld aanlegde. Waarom toch al die vliegtuigen? Misschien dienden ze als bezwering van het isolement waarin hun makers verkeerden. Misschien ook niet, Als het wel zo is dan is het toch tevergeefs. Volgens de kunstenaar Panamarenko tenminste, geniaal Belgisch vliegtuigduikbootbouwbeest, die in een interview benadrukt dat het een grote fout zou zijn om je dromen te willen delen. “Je kunt iemand anders je droom tonen in een galerie of een museum, maar je kunt niet zo ver gaan dat je samen droomt.' De wereld als eenpersoonsdroom.