Derde geldstroom helpt wetenschap niet vooruit

Het marktdenken aan de universiteit dient niet de belangen van de wetenschap, maar wel die van de universitaire organisatie, meent Patricia Huisman. De verdediging van de markt, zoals de VSNU die bepleit, stoelt nergens op. Het enige dat werkelijk telt is dat de wetenschapsbeoefening in Nederland veilig wordt gesteld en de groei van kennis is gegarandeerd.

Frida van den Maagdenberg, directeur van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), concludeert op 21 oktober in deze krant dat het met de kwaliteit van de universitaire prestaties wel goed zit. Universiteiten kampen alleen met te weinig middelen en teveel overheidsregels. De markt kan hier soelaas bieden. Iedereen die anders beweert heeft zijn huiswerk niet goed gedaan. Tegenstrevers hebben Clarks analyse van de Warwick University niet gelezen, overschatten het feitelijk aandeel van het bedrijfsleven in het totale onderzoeksbudget en zijn onkundig van de feiten aangaande de internationale statuur van het Nederlandse onderzoek en onderwijs. Aldus Van den Maagdenberg.

In haar verdediging van de universitaire kwaliteit geeft Van den Maagdenberg blijk van een breed gedeeld maar misplaatst vertrouwen in het bestaande systeem van kwaliteitsbepaling. Internationaal vergelijkende metingen, zoals citatiemetingen, gaan uit van impliciete onjuiste vooronderstellingen over de selectieprocessen in de wetenschapspraktijk, waardoor we verstrikt raken in cirkelredeneringen.

Voorbeelden van dergelijke vooronderstellingen zijn:

- het garant staan van het wetenschappelijk forum voor de selectie van onderzoek, publicaties en citaties die wetenschappelijk de moeite waard zijn;

- de impact, de kwaliteit en het gezag van de betreffende publicatie, die zouden blijken uit een hoge citatiescore;

- het belang en de kwaliteit van het onderzoeksvoorstel op grond van toewijzing van onderzoeksgelden.

We zouden wensen dat het zo was. In werkelijkheid selecteren we echter met elkaar - zelfs in gezaghebbende kringen - naast kwaliteit ook prutswerk, ontbreekt een vanzelfsprekende aandacht voor kwaliteit, en hoeft voor een hoge citatiescore niet speciaal een waardevolle bijdrage te zijn geleverd.

De cijfers laten dat allemaal niet zien. Alleen een inhoudelijke analyse van selectieprocessen en van het gepubliceerde werk kan hierover uitsluitsel bieden.

Een beroep op de cijfers is een beroep op schijnzekerheid. Het is een vlucht in een cirkelredenering: iets heeft kwaliteit omdat het een hoge citatiescore heeft, en het heeft een hoge citatiescore omdat het kwaliteit heeft.

De onderwijsvisitaties bieden evenmin de zekerheid waar Van den Maagdenberg mee schermt, want juist de kern waar het in die visitaties om moet gaan blijft onderbelicht of ontbreekt zelfs geheel.

Een inhoudelijke weging van het wetenschappelijk gehalte met behulp van criteria, ontleend aan de wetenschappelijke taak en waaraan iedereen zich gehouden weet, is tot dusverre uitgebleven - in ieder geval in de sociale wetenschappen. Zo'n solide stelsel van criteria bestaat namelijk niet. Er wordt (soms) wel beoordeeld, maar willekeurig en volgens eigen inzicht en overtuiging van de beoordelaar.

De VSNU heeft zich onvoldoende ingespannen dit euvel op te lossen. Wel heeft ze er lange tijd alles aan gedaan om kwaliteitsoordelen over specifieke opleidingen `binnenskamers' te houden.

Dat Van den Maagdenberg het vergelijkend `onderzoek' van Der Spiegel aanhaalt als bewijs voor de onderwijskwaliteit in ons land, laat zien dat ook de VSNU het onderscheid tussen wetenschappelijke kwaliteit en broddelwerk niet altijd goed weet te maken.

Van den Maagdenbergs verdediging van de markt marginaliseert de rol van de markt in de universitaire wereld. Dit leidt tot de vergissing dat alleen het door bedrijven gefinancierde onderzoek marktgericht zou zijn.

Ook houdt Van den Maagdenberg haar tegenstrevers voor dat de markt niet domineert hetgeen zou blijken uit het geringe aandeel (eenvijfde) van het bedrijfsleven in het wetenschappelijk onderzoek.

Maar dat is nu juist een zorgelijk teken. Het betekent dat veel onderzoek in dienst van marktbelangen wordt betaald uit gemeenschapsgelden, zoals de eerste en tweede geldstroom, de vakministeries of de EU-gelden.

Bedrijven hoeven het niet zelf te betalen, want veel van het door hen gewenste toegepast onderzoek vindt toch wel plaats. Het gaat daarom niet om het aandeel dat zij hebben in het opdrachtonderzoek - waarbij ook de overheid overigens een marktpartij is - maar om een analyse van de aard van al het uitgevoerde onderzoek. En dan blijkt dat toegepast onderzoek, gericht op concrete toepassingsvragen, in alle geldstromen verreweg de voorkeur krijgt boven fundamenteel onderzoek, zelfs in de zes kersverse toponderzoekscholen voor `fundamenteel' onderzoek.

Van den Maagdenburg gaat ook voorbij aan de invloed van de markt op het onderwijs.

In de strijd om geld en studenten deinzen universiteiten nergens meer voor terug. De lokroep richt zich op de student-ondernemer snelkookpan-leerroutes (verkorte studies voor veel geld), stages brancheopleidingen (zoals een postdoc Telecommunicatie) bedrijfsstudieplaatsen (ondernemers kopen plaatsen), branchehoogleraren (zoals de nieuwe hoogleraar `beurzen en tentoonstellingen'). Werkgelegenheid, arbeidsmarkt, marktaandeel en carriere zijn de sleutelwoorden.

Deze aanpak is nodig, betoogt Van den Maagdenburg, om ook voor het niet-wetenschappelijke beroepenveld aantrekkelijk personeel op te leveren. En dat is geen nieuwe eis, vervolgt ze, want het merendeel van de afgestudeerden heeft altijd al werk gevonden buiten de universitaire muren.

Wat Van den Maagdenburg vergeet daarbij te melden, is dat dit oorspronkelijk wel buiten-universitair maar niet hoofdzakelijk non-wetenschappelijk werk betrof.

Het opleiden voor de wetenschap of aan de wetenschap gelieerde beroepen is iets heel anders dan het opleiden voor het bedrijfsleven, wat toch van oudsher een typische taak van het HBO is.

Toch drukt deze arbeidsmarktgerichte beroepsvoorbereiding steeds zwaarder op het universitair curriculum, niet als een aan wetenschap ondergeschikte bijzaak, maar als hoofdzaak. De beroepspraktijk verdringt gaandeweg de wetenschap.

De vlucht in de markt en het gevecht om eigen zeggenschap over de koers dienen de belangen van de universitaire organisatie, niet de wetenschap. De kern van onze zorg moet zijn hoe we de wetenschapsbeoefening in Nederland veilig kunnen stellen en de groei van kennis kunnen garanderen. Het is een misverstand te denken dat wat goed is voor de universitaire organisatie ook goed is voor de wetenschap.

Extra geld bijvoorbeeld helpt zeker bij het behoud van de organisatie, maar het helpt niet vanzelfsprekend ook de wetenschap vooruit. De kwaliteit van de wetenschappelijke prestatie hangt immers niet alleen af van geld.

Zou dat wel zo zijn, dan hadden de universiteiten in de jaren zestig en zeventig, toen ze nog ruim in hun jasje zaten, tot topniveau kunnen stijgen. Maar knelpunten in de kennisverwerving zelf, gebrekkige werkvoorschriften, falend personeelsbeleid en een beloningssysteem dat niet primair kwaliteit honoreert, staan zo'n succes - vooral in de sociale wetenschappen - in de weg.

Wetenschapsbeoefening is dus niet zozeer gebaat bij extra geld, maar bij het wetenschappelijk orde op zaken stellen. Lukt dat niet, dan kost de wetenschap ons blijvend meer geld dan nodig is, zelfs in een marktsituatie.