De strijd tegen smeerpapen; Schokkende brieven van Gerard Walschap

De brieven van Erasmus en van Voltaire lees je omdat ze deel uitmaken van hun literaire werk. Zij wisten dat hun brieven door meer mensen gelezen zouden worden dan door de geadresseerde. Wij lezen die brieven, behalve wegens hun inhoud en hun vorm, ook om meer te weten te komen over het leven van de beide schrijvers, en we leren er ook uit hoe het in de 16de en in de 18de eeuw toeging.

De brieven van Flaubert en van Multatuli lees je omdat ze inzicht verschaffen in hun literaire werk. Zij schreven die brieven om iets aan de geadresseerde mee te delen, en je voelt je soms een voyeur als je ze leest. Wij bewonderen in die brieven de stijl die we uit de boeken kennen en we kunnen soms de schrijver vlak op zijn pen kijken. Daarbij geven ze ons biografische kennis en we leren er ook uit hoe het in de 19de eeuw toeging.

De brieven van de Vlaamse schrijver Gerard Walschap, die honderd jaar geleden werd geboren en negen jaar geleden stierf, waren niet voor ons bedoeld. En ze gaan eigenlijk nooit over het schrijven van zijn romans en novellen. Walschap schrijft hoogstens dat hij een maand ergens in een huis gaat zitten om een boek te schrijven, en een maand later is dat boek dan af. De directe, wervelende, overrompelende stijl is niet zoals bij Flaubert, de uitkomst van weken dubben over een zin, maar heeft dezelfde spontane en niet verder analyseerbare kracht als de stijl van Multatuli en van een willekeurige kwaaie schelder.

Waarom moeten er dan tweeduizend brieven van Walschap gepubliceerd worden?

Moeten ze als biografie dienen? Daarvoor vallen er te grote gaten in, met name bij de oorlogsjaren. Maar ze bieden wel een schokkend beeld van het Belgische culturele leven in de twintigste eeuw. Wie Het verdriet van Belgie overdreven vond, zal het hier vaak nog veel bonter lezen.

Juiste relaties

Terwijl voor de meeste eeuwgenoten de vijf jaar van de Tweede Wereldoorlog de spannendste en beroerdste van hun leven zijn ligt dat bij Walschap anders. Die beleeft de twee grote crisissen van zijn leven even voor en even na de wereldoorlog. Voor de oorlog raakt hij in ernstig conflict met de katholieke Vlaamse wereld waar hij uit is voortgekomen.

Die strijd wint hij. Na de oorlog wordt hij beschuldigd van culturele collaboratie met de Duitse bezetter. Die strijd wint hij ook. Maar proces en vrijspraak zijn geen wonderen van schoonheid. Walschap wint het niet omdat hij gelijk heeft - dat heeft hij ook - maar omdat hij op de juiste momenten de juiste relaties kan inschakelen om bij de juiste nog machtiger personen een goed woordje voor hem te doen. Dat zal in andere landen ook wel gebeuren, maar niet zo openlijk. Nergens blijkt dat Walschap zich schaamt voor deze Belgische politiek van kronkelige vriendendiensten en stiekeme rancunes.

Ook in de strijd met de katholieke kerk wordt niet principieel gestreden, maar via chantage geld, leugens, roddels en familiebanden. Walschap werkt voor de oorlog bij een katholiek tijdschrift en het is duidelijk dat, als hij de kerk verlaat, dat baantje ook weg is. Hij probeert een staatsbaan te krijgen maar de roomsen zijn machtig en hij krijgt het niet. Als Belgie door de Duitsers bezet is, krijgt hij dat baantje wel. Het lijkt of hij in de oorlogsjaren minder door zijn landgenoten getreiterd wordt dan in de jaren ervoor en erna.

Uit de dertig jaren die dit eerste brievendeel beslaat zijn 960 brieven van Walschap opgenomen aan tweehonderd correspondenten, 160 uit Belgie en 40 uit Nederland, onder wie vijftig Belgische auteurs en twintig Nederlandse. Onder de geadresseerden zijn niet minder dan twintig Vlaamse priesters, en ook nog twintig vrouwen. De correspondentie met de clerus is het schokkendst. Het begint al direct goed met de brief die Walschap in 1921 aan paus Benedictus XV schrijft en waarin hij vraagt ontslagen te worden van zijn eerste priesterbeloften. Maar het zijn twee smeerpapen die de show stelen.

De pater die naast Walschap het blad Hoger Leven redigeert blijkt een oplichter, chanteur en vrouwenliefhebber. Op 10 juli 1933 schrijft Walschap hem: `Gij wilt stelen. Waarom schrijft gij daar een lange brief over? Steel toch. Zolang gij het brood van mijn kinderen in handen hebt zijt gij sterk'.

Erger nog dan deze priester is pater Van Mierlo, die hem in 1949, wanneer zowel de losmaking uit de kerk als de vrijspraak uit de zuivering allang een feit zijn, een brief schrijft om hem te bekeren, waarin echter ook nog duistere insinuaties staan over brieven aan de Gestapo die voor Walschap schadelijk zouden kunnen zijn.

Walschap leest over de chantagedreiging heen en antwoordt vrolijk: `Uw brief van vandaag heb ik goed ontvangen en na er smakelijk om gelachen te hebben, de enige reactie die hij verdient, wil ik er toch ernstig op antwoorden. U hebt heel uw leven op de preekstoel en in de biechtstoel en waar u er de kans toe zag uw overtuiging gepropageerd. Heb ik u daar ooit een kwade brief over geschreven? Welnu, waarom laat u mij dan niet een honderdduizendste doen van wat u doet?' Dezelfde dag stuurt Walschap de brief van de pater met zijn antwoord naar het Archief voor Vlaams Cultuurleven. Dan pas maakt de pater zijn insinuaties duidelijk en moet Walschap die gaan bestrijden. Iemand met de chantage van oorlogsgeheimen weer in de kerk willen dwingen dat is erger dan een stelende, liegende en neukende pater.

Het valt in Walschap te prijzen dat hij het na zijn eigen succesvolle zuivering blijft opnemen voor de `zwarten', zoals men in Vlaanderen de `fouten' noemt. In Nederland is daar minder waardering voor. Victor van Vriesland breekt er enkele keren zijn innige, in alcohol verwekte, vriendschap met Walschap om af, maar een paar maanden later blijken ze weer goed te zijn.

De Nederlandse collega's komen er vaker minder goed af. Hoornik schrijft op 20 juli 1941 dat de namen Mann en Remarque in een artikel van Walschap geschrapt moeten worden. Bestond er echt een lijst van verboden namen, of pleegt Hoornik hier zelfcensuur? Met Greshoff ontstaat een lelijke, uitgerekte ruzie over geld.

Ook met Belgische collega's gaat het soms mis. De erg ambitieuze Marnix Gijsen krijgt in 1938 een woedende brief van mevrouw Walschap, maar dat maakt geen einde aan de vriendschap. Na verschijning van Gijsens Het boek van Joachim van Babylon schrijft Walschap: `U valt het zwaar bij leven van uw vrouw openlijk de mislukking van uw huwelijk te bekennen en dat voelt men aan elk woord en dat maakt uw boek ernstig en plechtig (...) Dat heeft mij aan Rene [Gijsens broer] doen schrijven dat uw boek niet slecht genoeg is, terwijl uw zorg zeker is geweest of het niet te slecht was.'

Elsschot

Walschap en Elsschot wonen in Antwerpen in dezelfde straat en waarderen elkaars werk, maar er zijn steeds kleine incidentjes die een vriendschap verhinderen. Hoogtepunt is de helaas niet in een brief vastgelegde verhouding tussen de 18-jarige zoon Lieven Walschap met de twee keer zo oude dochter Anna Elsschot. De apocriefe anekdote hierbij luidt dat als mevrouw Walschap komt klagen, Willem Elsschot naar zijn vrouw die in de keuken staat, roept: ``Fine, is ons Anna nu al meerderjarig?'

Hoe horen wij dit? Wij horen het omdat de brieven van Gerard Walschap zijn uitgegeven door zijn dochter Carla en zoon Bruno die zelf ook in de brieven voorkomen. Dat is natuurlijk een gevaarlijke zaak, zoals vele brievenedities door schrijversweduwen aantonen. Maar ik heb van hun commentaren genoten.

Van de 450 vrijersbrieven van vader aan moeder namen de kinderen er maar negen op, omdat de rest te saai zou zijn. Jammer, maar te respecteren. Saai zijn de afgedrukte brieven inderdaad nooit, al heb je soms geen idee waar ze over gaan.

Hun commentaren zijn soms pittig. Zo komt er zo nu en dan een bevriend echtpaar langs. Eenmaal schrijft Walschap de vrouw, om met een vreselijk rijmpje voor een pijp te bedanken. Zoon en dochter Walschap schrijven achter haar naam in het register van correspondenten: `Zij belegde de spaarcenten van Walschap in haar eigen zaak, kocht in 1957 zijn huis belegde ook die soms en ging kort daarna failliet. Walschap heeft nooit een cent teruggezien'. En dat kan daar staan vanwege die geschonken pijp!

Als de naam Schopenhauer valt, krijgen we braaf te horen dat het hier om een Duits filosoof gaat, maar als Walschap Goethe citeert met `und bin so weit ganz wie hervor' dan zeggen ze wel dat dit uit Faust is, maar niet dat het juiste citaat luidt: `und bin so klug als wie zuvor'. Toevallig weet ik wat `teerlingen in een pietjesbak' betekent, maar ik vrees dat de meeste Nederlandse lezers dit niet begrijpen. Opvallend is dat Walschaps brieven altijd in Hoog-Nederlands gesteld zijn, hoewel hij soms laat blijken het Vlaams uitstekend te kunnen schrijven. Over Jan Eekhout, schrijver van Pastoor Poncke, schrijft Walschap, in een officiele brief in 1943 aan de Vlaamse boekcentrale: `Misselijke taal van een Hollander die `Vloms' meent te schrijven, stomme ezel van een pastoor die aan babbelziekte lijdt en alles even ongeloofwaardig'.

Walschap kan uitstekend schelden en onverbloemd noteren wat hij denkt. Maar tussen al dat geweld zijn er eilanden van rust en inkeer.

De innige brieven aan zuster Oswalde die de inspiratie is voor het prachtige boek Zuster Virgilia, de lieve brieven aan zijn kinderen, en vooral de lange brief over het sterven van zijn broer Alfons, die missionaris in Congo was. Die brief is zo mooi als het bekende verhaal van Tolstoj over een ander sterven.

Wie de brieven leest, krijgt zin de boeken van Walschap te gaan lezen of herlezen. Niets in die boeken is verouderd. Alleen in zijn `politieke' boeken, over de collaboratie (Zwart en wit) en over de koloniale kwestie (Oproer in Congo) en in zijn toneelstuk over de Spaanse burgeroorlog (De Spaanse broeders) schiet hij tekort als hij alleen de individuele mens en niet het historische conflict belicht.

De literaire kracht van Walschap is dat je direct gelooft wat hij schrijft. Deze brieven laten zien dat hij ook buiten de literatuur die onmiddellijke geloofwaardigheid bezat.