De Duitsers hoorden alles

In maart 1942 berichtte Wilhelm Ohnesorge, minister voor de Deutsche Reichspost, aan zijn geliefde Fuhrer vol trots dat zijn radiotechnici erin waren geslaagd het telefoonverkeer tussen Engeland en de Verenigde Staten af te luisteren en de geallieerde stoorzenders te omzeilen. Die resultaten werden geboekt door technici uit een laboratoriumfiliaal bij het Nederlandse Noordwijk, dankzij apparatuur geleverd door gloeilampenfabriek Philips. In de loop van de oorlog zouden talloze gesprekken van hooggeplaatste geallieerde functionarissen worden opgevangen en doorgegeven aan Duitse instanties als de Wehrmacht Luftwaffe, Kriegsmarine, Goebbels propagandaministerie en natuurlijk Himmlers SS.

In de zomer van 1943 zaten de afluisteraars rechtop in hun stoel toen zij een telefoongesprek opvingen op de `hot line' tussen Churchill en Roosevelt, die een wapenstilstand bespraken met de Italiaanse troepen van Badoglio. Uit het verslag, dat werd doorgezonden naar het Oberkommando van de Wehrmacht, leidde de Duitse legerleiding terecht af dat geheime besprekingen tussen de geallieerden en de Italianen in volle gang waren.

De geschiedenis van deze Forschungstelle Langeveld, een Duits afluisterstation in bezet Nederland, roept onmiddellijk associaties op met het spannende werk van de militaire spionageactiviteiten. Wat en wie viel er te beluisteren en welke historische keerpunten volgden erna? Maar in het boek van Hans Knap, dat over die afluisterpost handelt, wordt die verwachting niet ingelost. Alvorens tot zijn onderwerp te komen behandelt de voormalig eindredacteur van het NOS-journaal uitvoerig de ontwikkelingsgang van de Nederlandse radio- en telefoontechniek. Voor de lezer bijvoorbeeld tot bovenstaand fragment komt, is die al ver over de helft van het 350 pagina's tellende boek heen.

Natuurlijk, het is zeker interessant en relevant te weten hoe de stand van zaken voor de oorlog was en het feit dat Knap vermeld dat de Duitsers vrijwel de alle Nederlandse radiozenders en -ontvangers ongeschonden in handen kregen is een uiterst opmerkelijk feit. Ook toont hij overtuigend de banden aan die er waren tussen Duitsland en Nederland op radiogebied. Maar je merkt dat Knap in de loop van zijn onderzoek, zo verknocht aan zijn onderwerp is geraakt dat hij alles belangrijk vindt en daarmee zijn publiek overvoert. Wat overeind blijft, is een doorwrocht relaas over met name de technische en organisatorische aspecten van dit stuk radiogeschiedenis.

Jammer ook van enkele hinderlijke herhalingen in het boek (twee keer vernemen over de overname van de Nederlandse radiopeilwagens door de Duisters en twee maal legt Knap uit hoe zat met de SS-Postschutz) en van het gebrek aan enkele spannende passages, waarvoor het onderwerp zich toch uitstekend leent. Goed er waren bombardementen en toen eenmaal de afluistercentrale vanwege de oorlogshandelingen werd verplaatst naar Valkenswaard trok die de aandacht van verzetsgroep Albrecht. De echte spanning zit echter in de gesprekken die afgeluisterd werden en de vraag wat de Duitsers met die informatie deden. Knap gaat daaraan gelukkig niet voorbij, maar brengt ons niet erg ver. De Nachrichtendienst stelde een soort `Who is who' op waarin de deelnemers aan de telefoongesprekken met naam en functie werden genoemd. Knap noemt er een paar. Een van de namen die in het oog springt is die van de econoom John Maynard Keynes, die met de Amerikanen onderhandelde over de Britse oorlogsleningen. Dezelfde Keynes die na de Eerste Wereldoorlog een van de felste critici was van de Duitse herstelbetalingen.

Voor het resultaat van de afluisterpraktijken van de Forschungsstelle bleken met name Goebbels' dagboeken een belangrijke bron. De propagandaminister interpreteerde herhaaldelijk de telefoongesprekken in zijn dagboek. Hij bleek een van de weinigen die de implicaties ervan overzag. Bij Goerings Forschungsamt werden de 'Braune Blatter' waarop de teksten gewoonlijk waren vastgelegd, wel gelezen maar juiste conclusies bleven achterwege.

Wisten de geallieerden dat hun telefoongesprekken werden afgeluisterd? Ze vermoedden het wel, want er werd vaak genoeg voor gewaarschuwd en meestal hielden ze de conversaties kort en bedienden ze zich van vage termen.

Churchill bleek een echte telefoonverslaafde. Ondanks de andere veel veiligere communicatiemiddelen die de Britse premier tot zijn beschikking had, kon hij niet van de telefoon afblijven. Wanneer het hem maar inviel, en dat was vaak, belde hij met zijn Amerikaanse ambtgenoot in het Witte Huis. Die gesprekken werden door de geallieerden niet bijgehouden, wel door de Duitse technici van de Forschungsstelle Langeveld.