De derde persoon; Zapdansen 20

Vietnam was benauwend dichtbij voor een Nederlandse jongen die van Amerika hield. “Hoe kon er iets verkeerd zijn aan een land dat mij Elvis had gebracht, Little Richard, Dylan, honkbal, Charlie Parker, 1001 films, Jack Kerouac?' Maar er kwam nog iets bij.

Achterin mijn kast ligt al jaren een T-shirt dat ik nooit gedragen heb en ook nooit dragen zal. Niet omdat het te klein is of te groot of omdat zwart mij niet zou staan, maar vanwege de opdruk aan de voorkant. In een halve cirkel onder en boven het embleem van een adelaar staat daar in gele letters: `When I die I'll go to Heaven, because I have spent my time in Hell'. En daar weer onder: `Vietnam'.

Ik kocht het, een jaar of tien terug, in een T-shirt-winkel ergens langs de weg in Massachussetts, een van de Amerikaanse staten waar veel Vietnam-veteranen zich sinds hun thuiskomst hebben teruggetrokken in de bossen. `Dan The T-Shirt Man' stond er in grote witte plakletters op de ruiten van het blokhutvormige bouwsel en daaronder, in groene: `T's For Vets'. Zogenaamd op zoek naar een andere kleur of maat was ik eerst nog tweemaal alle andere schappen langsgelopen voor ik mij met het Heaven/Hell T-shirt bij de kassa durfde te vervoegen. Maar toen de man achter de toonbank, die er uitzag alsof hij ongeveer van mijn leeftijd was, mij bij het afrekenen vriendelijk onderzoekend aankeek en vroeg of ik misschien ook een Vet was, had ik bijna `ja' gezegd.

Wat? Niet bij wijze van spreken `bijna', maar echt, puntje van mijn tong afbijtend `bijna'. En op hetzelfde moment, nog voor ik `nee' had gemompeld, `het is voor een vriend van mij', wist ik dat ik het T-shirt dat nu in een bruine papieren zak zat, nooit aan zou kunnen trekken. Ik had niet eens het recht om het te kopen.

Mijn fascinatie voor `Vietnam' begon al toen ik nauwelijks twintig was, eind jaren zestig. Overal om mij heen laaide het protest tegen de oorlog, die Amerika daar zogenaamd voerde om de opmars van het communisme in Zuidoost-Azie te stuiten, maar die in werkelijkheid het zoveelste bewijs vormde van het valse karakter van het kapitalistische monster.

Een opvatting waar ik niets mee kon. Kapitalisme, communisme, wist ik veel, ik dacht er niet over na, en anti-Amerikaanse sentimenten waren mij al helemaal vreemd. Hoe kon er iets verkeerd zijn aan een land dat mij Elvis had gebracht, Robert Johnson Little Richard, Otis Redding, Dylan, honkbal, Charlie Parker, 1001 films Jack Kerouac? Kortom, zo'n beetje de hele inventaris van mijn droomkamer. Wat moest ik met Ho Tsji Minh en zijn sik? In gedachten woonde ik al sinds mijn negende in Amerika en wat er aan dat land niet deugde, was altijd nog tien keer spannender en interessanter, ik bedoel eigenlijk echter dan de grond onder mijn voeten. Al mijn dromen van verlossing waren bezaaid met sterren en strepen.

Begrijp me goed: de opwindende sensatie van `de revolutie' zoals die in de tegencultuur werd gevoeld ging niet ongemerkt aan mij voorbij. Integendeel, ik had mijn armen er tot mijn schouders ingestoken, dichtte tien meter per seconde en stond overal vooraan, maar de gedachte om de macht van de verbeelding in zoiets letterlijks als politiek om te zetten kwam niet bij mij op. Abbie Hoffman H. Rap Brown, Timothy Leary, en in Europa Cohn-Bendit, Alexander Trocchi Robert Jasper Grootveld: ze hadden allemaal het grootste gelijk van de wereld, maar hun woorden klonken mij toch op de eerste plaats als muziek in de oren, en dus danste ik op straat als James Brown in de kerk of knipte althans verwoed met mijn vingers.

Moordenaar

Bijna vanaf het eerste moment dat ik op de televisie beelden zag van de oorlog in Vietnam, besefte ik - juist vanwege mijn Amerikaanse dromen - dat het puur een geografisch toeval was dat ik hier zat en niet daar. De jongens die daar door de jungle sjouwden waren even oud als ik, hadden dezelfde films gezien en luisterden naar dezelfde muziek.

Alleen konden zij elk moment op een mijn stappen en zat ik thuis op de bank naar The Doors te luisteren - terwijl weer een ander deel van mijn leeftijdgenoten hen ondertussen ook nog eens voor moordenaar uitmaakten.

Maar er kwam nog iets bij. Groot, donker en slecht van adem: mijn eigen angst. Hoe het kwam, kwam het, maar als kind droomde ik vaak van de oorlog, zowel de oorlog die er kortgeleden geweest was (het gestamp van laarzen in de gang, het versplinteren van de deur van mijn kamer) alsook de oorlog die er in de lucht hing (een extra nieuwsuitzending en drie minuten later een lichtflits). De beelden zelf vervaagden geleidelijk, maar de paniek bleef hangen: een grote zwarte hond die rond het huis doolde en zich voedde met alles wat daar nog verder aan kinderangsten rondslingerde, als speelgoed dat ik vergeten was op tijd naar binnen te halen. Elke keer dat ik een Amerikaanse soldaat in Vietnam later hoorde spreken over `het beest' dat zich in de jungle ophield en vooral 's nachts overal de kop op kon steken zag ik de zwarte hond voor de deur kijken alsof iemand zijn naam riep.

Maar ik was ook jaloers, dacht in ieder geval dat ik het was. Jaloers op de kans die zij kregen om het beest tegen de vlakte te knokken of het op z'n minst met zijn ogen te doen knipperen. Misschien zou je even volledig verdwijnen in je eigen angst, maar je zou er aan de andere kant met een schreeuw weer als een nieuw wezen uitspringen. Het zou een ervaring zijn die je hart, mijn hart tenminste, met een schok uit zijn stationaire stand zou stoten. Eindelijk een directe aansluiting op het lichtnet van het leven. Dacht ik.

Als je een jaar in Vietnam overleefde hoefde je bovendien nooit meer ergens bang voor te zijn.

De nacht was niet langer van weerhaken. En als held, als tragische held zou niemand ooit nog het recht hebben om je wat dan ook voor te houden. Je was vrij, gelouterd, en dat niet alleen, je had ook nog eens talloze broers die hetzelfde hadden meegemaakt.

Dacht ik.

En toen - hoe het kwam, kwam het - begon het op klaarlichte dag duisternis te regenen en ging ik kopje onder. In het leven vlak naast het mijne schoot de deksel van een put vol demonen en al snel kon ik in het donker niets meer onderscheiden behalve het dansen van wat rijtjes sabeltanden. Ik bedoel, ik woonde nog steeds in dezelfde stad als waar ik was opgegroeid, maar alle telefoonlijnen waren doorgesneden, in het trappenhuis was het een komen en gaan van wildvreemden en de dichtstbijzijnde tramhalte was onbereikbaar geworden. Alleen in mijn dromen kon ik af en toe thuiskomen - en op basis daarvan ontwikkelde ik de strategie voor mijn uiteindelijke comeback. Een klassieke overlevingstruc: ik splitste mijzelf op in drie personen. De eerste persoon viel helaas niet meer te redden, maar de tweede kon, hoewel gevangen, zichzelf nog moed inspreken, in de wetenschap dat de derde onopgemerkt bezig was een tunnel terug naar de wereld te graven.

Nachtmerrie

Eenmaal ontsnapt noemde de derde persoon zich al snel weer gewoon `ik', liet zich door iedereen met `je' en `jou' aanspreken maar werd 's nachts door de stemmen van de nog steeds vermiste eerste en tweede persoon uit de slaap gehouden.

`En wij dan?' Dat was ook de vraag die veel Vietnam-soldaten door het hoofd bleef spoken, toen zij na hun terugkeer moesten bemerken dat zij niet alleen onzichtbaar waren geworden voor het thuisfront, maar ook voor zichzelf, omdat een groot deel van henzelf daar was achtergebleven.

Niet zelden het beste, het onschuldige, meest hoopvolle deel. Verstijfd van angst, geofferd aan de moed, doorgebrand. Sindsdien alleen nog te bezichtigen tijdens de bezoekuren van een nachtmerrie, zo tussen vier en vijf uur 's ochtends and closing in. En tot overmaat van ramp werd de horror van hun trauma dan ook nog eens geexploiteerd, als zinnebeeld van de existentiele crisis van sommige leeftijdgenoten.

Geen wonder dat velen van hen zich nu in Amerika in de bossen hebben verscholen, dacht ik, terwijl ik met mijn pakje de winkel van Dan The T-Shirt Man uitliep: daar lijkt het nog het meest op de plek waar hun eerste en tweede persoon voor het laatst werden gesignaleerd, en niemand die er moeilijk doet over het beest dat je als huisdier hebt meegenomen.

Het zou nog een paar jaar duren voordat ik besefte hoe cruciaal dat T-shirt-moment was geweest, het moment dat ik bijna `ja' had gezegd op de vraag of ik ook een Vietvet was, en hoe beschamend. Tot dan toe had ik toch zeker voor de helft in een droomhuis geleefd, opgetrokken uit mijn, door furieuze Amerikaanse dromen gevoede verlangen naar het beloofde land: het aanbreken van een groots moment waarin alles wat er mis en verloren was gegaan in een klap goedgemaakt zou worden. Vietnam was weliswaar de schaduwzijde van die droom geweest maar ook, als diepte en anker nog steeds met die droom verbonden: de angel die een droom de scherpe beet van de werkelijkheid kan geven.

Maar dat was nu juist het schandaal. Dromen staat vrij, maar de harde binnenkant, de precieze vorm van iemands ziel, is onvervreemdbaar persoonlijk als een vingerafdruk. Daar heb je maar vanaf te blijven, ook al heb je dan dezelfde maat T-shirt.