De bv koning Leopold

Rond 1900 heerste de overtuiging dat de 20ste eeuw alle voorgaande zou overtreffen. De tweede industriele revolutie had de arbeidersklasse uit haar grootste misere geholpen. In het verschiet lag een tijd van vrede, meer koopkracht en vooral een beschaafdere mensheid.

Die overtuiging was flink verspreid. Vandaar dat het mogelijk werd een behoorlijk publiek te mobiliseren tegen praktijken die een belediging waren voor die moderne samenleving. Er ontstond een mondige publieke opinie. Soms beet ze zich vast in een affaire en won ze. Het meest bekende geval is de zaak-Dreyfus in 1898. Maar het is niet het enige. In hetzelfde jaar werd de aanzet gegeven voor een, vooral Angelsaksische, campagne tegen gruweldaden in Congo. Dat was toen nog geen kolonie van Belgie, maar het prive-domein van de Belgische koning Leopold II.

Het begon toen Edmund Dene Morel op de Antwerpse kades merkte dat er iets niet klopte in het goederenverkeer van en naar Congo. Morel was bediende bij een Engels transportbedrijf dat het monopolie bezat op deze zeevaartroute. De waarde van de ladingen die richting Congo vertrokken, zag hij, woog niet op tegen wat te Antwerpen gelost werd. Wapens en munitie waren het enige van waarde in de schepen. Morel, die een overtuigd adept was van het economisch liberalisme, besloot dat hier van vrijhandel geen sprake was. Wat hij zag, kon alleen het resultaat zijn van slavenarbeid.

Adam Hochschild, een journalist met interesse voor de mensenrechten plaatst in zijn recente boek De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo bediende Morel en koning Leopold tegenover elkaar in een harde strijd tussen goed en kwaad. Hochschild is een Amerikaan. Zijn vlotte verhaal heeft niet alleen een schoft nodig, maar ook een held. Men kan daarom smalen. Maar het komt de leesbaarheid ten goede. En wellicht verdient Morel ook de lof. Zeker, zijn verontwaardiging vleide zijn hypocriete geloof dat het Britse wereldrijk door edele motieven geinspireerd was.

Morel bestreed geenszins het kolonialisme als zodanig. Maar in elk geval zette deze tot dan toe voorbeeldig werkende huisvader veel op het spel om een pionier van de mensenrechten te worden.

Wat Hochschild over Leopold vertelt, is grotendeels bekende stof. De tweede koning van Belgie was een cynische leugenaar en een ijskoude crimineel. Zijn ambtenaren en soldaten dwongen in bepaalde gebieden aanzienlijke quota rubber af door middel van lijfstraffen, de verminking van kinderen en de moord op hele dorpen. In de 23 jaar van Leopolds bestuur moet het aantal inwoners van Congo gedaald zijn met tenminste 10 miljoen.

Maar toch, toeval of niet, over dit stuk Belgische geschiedenis is weinig geschreven. Op twee punten levert Hochschilds werk dan ook een bijdrage. Met extracten uit de correspondentie van de vorst bewijst hij dat ook deze leider wel degelijk zelf op de hoogte was van het geweld dat in zijn naam geschiedde. Ten tweede werpt het licht op het werk van de officiele commissie, die in 1904 ter plaatse de klachten van inlanders hoorde.

Deze commissie had Leopold zelf in het leven geroepen, om zijn naam te zuiveren. Want de koning reageerde op de aanzwellende kritiek niet met aanmaningen tot voorzichtigheid in het gebruik van geweld en arbeidskrachten. Hij intensiveerde slechts zijn lobbywerk en eiste van zijn medewerkers grotere discretie over de gebruikte middelen.

Over het algemeen gaat men ervan uit dat de commissie het werk leverde dat de koning wenste. Hochschild heeft evenwel de processen-verbaal van de getuigenissen doorgenomen. Volgens hem keerden de rechters onthutst en bekeerd uit Afrika terug. Hun zelden gelezen verslag was vernietigend voor de koning.

Alleen een spectaculaire manipulatie van de pers kon ervoor zorgen dat het de wereld werd voorgespiegeld als een brave tekst, die hooguit enkele misbruiken betreurde.

De druk op het regime nam echter niet meer af en drie jaar later gaven de grootmachten hun zegen aan een compromis waarin de koning het land verkocht aan de Belgische staat.

Toch heeft de vervalsing van het commissieverslag ernstige gevolgen gehad. De officiele versie van het verslag vond zijn weg naar de schoolboeken, die het succes van Morel steevast reduceerden tot Brits eigenbelang.

Schrijvers van dergelijke handboeken weten intussen wel beter, maar het is bizar hoe fossiel hun formuleringen soms zijn. In een tegenwoordig veel gebruikt schoolboek in Nederlandstalig Belgie staat nog altijd dat Leopold II in 1876 een internationale conferentie belegde met de bedoeling de strijd tegen de slavernij in Afrika te coordineren.

Hochschild zoekt naar een verklaring voor de barbarij. Dikwijls wordt gewezen op Leopolds onvrede met de tanende invloed van de monarch in een parlementaire staat. De kolonie was een zelftraktatie. Daar was zijn macht absoluut.

Volgens Hochschild is zijn verlangen gegroeid uit een nogal eenzijdige belangstelling voor cijfers, vooral voor cijfers gevolgd door een munteenheid. De koning begreep dat hij een protocollair overblijfsel was uit een gepasseerde tijd, een situatie waarin hij zich geneerde. Hij wou volop deel uitmaken van de moderne wereld van handelaars en ondernemers. Wat hem obsedeerde, was de belevenis winst te maken.

Dat verklaart slechts ten dele zijn meedogenloze moord- en rooftocht. Een vergelijking met de genocide van de Turken op de Armeniers in dezelfde periode of van het nazi-regime op de joden is verleidelijk.

En niet ten onrechte. Want al was Leopolds genocide niet doelbewust opgezet om een bepaald volk te doen verdwijnen, ze was evengoed ideologisch gegrond. De zwarte was voor Leopold een werktuig dat je snel verslijt en weggooit. Leopold had uit eigen zak ontzaglijk moeten investeren voor de ontsluiting van het land. Ook dat heeft een rol gespeeld. Hij wou zo snel mogelijk vaststellen dat hij inderdaad een goede zaak gedaan had en de eindafrekening positief zou zijn.

Plannen voor de besteding van de winsten waren in elk geval niet doorslaggevend. Behalve een afstotelijke triomfboog aan de rand van Brussel en de eerste stappen in de monsterachtige schaalvergroting van de hoofdstad is er weinig van blijvende waarde mee gerealiseerd.

Hochschild is geen onbelangrijk historicus. Zijn bronnenonderzoek is allesbehalve vluchtig. Hij is de eerste die in een boek zwarte ooggetuigen aan het woord laat, op basis van de notities van de onderzoekscommissie van 1904. Maar hij blijft een journalist omdat zijn uitgangspunt duidelijk ethisch is. Maar is er een ander keuze? Hochschilds boek bevestigt de opvatting dat de Derde Wereld in feite geen schulden heeft. Omdat die wereld nog wacht op smartgeld de uitbetaling van achterstallige lonen en een schadevergoeding voor de ontwrichting van de oorspronkelijke economie en het wegpikken van grondstoffen.