DAG

Welk duo is het leukst? Ronald Giphart en Joost Zwagerman of Rijk de Gooyer en Maarten Spanjer? Deze brandende vraag kan niet langer onbeantwoord blijven nu deze duo's in dezelfde periode een tournee langs de Nederlandse theaters maken.

Het is geen nieuw fenomeen, deze cabaretachtige voorleesavonden. Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt deden het al in de jaren vijftig en ook bij Louis Paul Boon is een beschrijving te vinden van een optreden in die tijd met Godfried Bomans in Den Haag. Boon was overigens geen groot liefhebber van deze avonden, want hij schreef: “Godfried Bomans is een van die Hollandse humoristen waar de Hollanders zelf zich dood om lachen. Nu is er wel iets eigenaardigs aan een Hollander die zich heeft doodgelachen: men ziet het niet eens, want hij blijft maar gewoon zitten alsof er niets is gebeurd.'

Ik had verwacht dat het cabareteske element bij De Gooyer en Spanjer overheersender zou zijn dan bij Giphart en Zwagerman, maar het omgekeerde bleek het geval. Vooral Gipharts hilarische relaas over zijn belevenissen als nachtportier in een Utrecht ziekenhuis had zo uit een wat oudere show van Freek de Jonge geplukt kunnen zijn. (Giphart beweert dat hij als portier herhaaldelijk patienten kreeg die hun anus met een dildo hadden geblokkeerd.)

Met De Gooyer en Spanjer amuseerde ik me wat minder, vooral omdat zij nogal statisch hun geschreven verhalen voorlezen. Maar er is bij hen een onderdeel - en het spijt me voor Boon - dat me van beide avonden het meest is bijgebleven: het verhaal `Godfried Bomans' van De Gooyer.

Bomans was, in tegenstelling tot wat men van hem dacht, een grote treiterkop legt De Gooyer vooraf uit. En dan vertelt hij hoe Bomans een procuratiehouder uit Hengelo aan het lijntje houdt. De man vraagt hem een jubileumboek voor zijn bedrijf te schrijven. Bomans schroeft de prijs op en stelt steeds belachelijker eisen voor zijn overkomst naar Hengelo: het beste hotel, cognac op de kamer en drie prostituees.

Elke keer als de man hem belt, doet Bomans alsof hij alle voorgaande contacten is vergeten. “Waar gaat 't over?' vraagt hij steeds. Alleen al de manier waarop De Gooyer dat ene zinnetje uitspreekt, met fluwelen Bomansiaanse pesterigheid, is een gang naar het theater waard.