Clapton is God; De bronnen en de gangen van een gitaarvirtuoos

Wellicht deed hij hetzelfde als zijn grote voorbeeld Robert Johnson, de bluespionier die zijn ziel bij de duivel inruilde voor briljant gitaarspel. Hoe anders valt het geluid van Eric Clapton te verklaren?

De zaallichten gaan uit en de fans heffen duizenden aanstekers boven hun hoofden. De broos heen en weer wiegende vlammetjes doen zich te goed aan de toch al schaars wordende zuurstof in de lucht, die voor het overige geurt naar bier, shag, leer en een in de verte rondgaande joint. Het verwachtingsvolle geroezemoes en ongeduldig gefluit overstemt geleidelijk het geluid van plastic bekertjes die onder de voet worden gelopen. Het rumoer vermengt zich met het aanzwellende applaus en mondt uit in een collectieve oerschreeuw. Een schokgolf van energie verzengt de atmosfeer en doet de grond trillen: het idool treedt uit de coulissen te voorschijn.

Op het podium verschijnt geen opgefokte volksmenner in een blits pak, wiens aders door de schrikbarend hoge adrenaline-levels zowat op knappen staan. Zo eentje die, na een retorisch `Are you ready?' als een dompteur de microfoon bij wijze van zweep bezwerend in de richting van de zaal houdt. Dergelijke types beginnen bovendien steevast minstens een half uur te laat, zodat die vraagstelling nog het meest betrekking op henzelf lijkt te hebben. Stipt op het afgesproken aanvangstijdstip daarentegen, betreedt Eric Clapton (1945) de buhne: een weinig imposante tengere gestalte. In zijn hand zijn gitaar, die hij aan geen enkele stagehand toevertrouwt. Hij gaat gekleed in een simpel T-shirtje spijkerbroek en gympen. Met zijn korte, vaag golvende haar, een bril en een baardje, ziet hij er meer uit als een leraar biologie. Hij lijkt de antithese van een mega-rockster.

Toch staat Eric Clapton te boek als de eerste elektrische gitaar-held uit de geschiedenis van de rockmuziek. Dit fenomeen van de in allerhoogste sferen verkerende virtuoos, die een turbulent en getormenteerd bestaan offstage leidt, heeft hij in belangrijke mate mede gestalte doen geven.

`Clapton is God' zo schreef de graffiti die in 1964 overal in de Londense metrostations werd neergekalkt. Een trouwe schare volgelingen was begonnen zich vooraan de podia te verdringen van de clubs waar hij optrad. Ze speelden luchtgitaar en laafden zich onderwijl aan de klanken van de jonge meester.

Maar je zult Eric Clapton nooit de karakteristieke kruis naar voren-gitaarsolo, de onvervalste dikkelullensound zogezegd, ten beste zien geven. Hoewel niet vies van gitaristisch vuurwerk, staat hij er op het podium vrijwel onbeweeglijk bij. Het gaat om de muziek en wie dat niet begrijpt, kan beter weggaan. Liever nog zit hij op een barkruk. Eric Clapton belichaamt het spanningsveld tussen de megalomanie en grootschaligheid van de rock-industrie en het persoonlijke, breekbare van de muzikale expressie. Het heeft managers en concertimpresario's jaren gekost hem te overreden om bij een solo niet te veel met zijn rug naar het publiek toegekeerd te gaan staan.

Slowhand

Opgroeiend bij zijn grootouders in een suffig plaatsje in Surrey, vormt zijn toelating tot het Londense Kingston Art College zijn toegang tot de wereld. Zijn studie geeft hij er al snel aan, om zich naar hartelust in het Londense nachtleven te storten, en om zich volledig te kunnen wijden aan het naspelen van zijn grote voorbeelden, een bezigheid waar hij van jongs af aan al verzot op is. Het zijn de helden van de blues die hem inspireren: Sonny Terry, Brownie McGhee, Big Bill Broonzy en, later, vooral Robert Johnson.

Aan onze kant van de oceaan was bluesmuziek begin jaren zestig hip en nieuw, veel obscuurder en minder mainstream dan rock & roll. Het raakte populair in het Londense clubcircuit.

In The Crawdaddy een club waar ook de Rolling Stones voor het eerst van zich deden spreken begon Clapton al snel furore te maken. Zijn duizelingwekkende snelheid op de gitaar bezorgde hem de koosnaam `Slowhand'.

De verering en status die hem ten deel vielen, hebben hem er nooit van weerhouden om met een succesvolle formatie te breken en opnieuw te beginnen. De Yardbirds zijn eerste echt professionele band, stond net internationaal op doorbreken met de single `For your love', toen Clapton het plotseling voor gezien hield. Trouw aan zijn muzikale uitgangspunten was hem belangrijker dan het commerciele gewin dat bandleider Paul Samwell-Smith voor ogen stond. De Yardbirds waren te veel een gewoon popbandje geworden te gretig om het podiumcircuit te ontstijgen. Na een knallende hij-eruit-of-ik-eruit-ruzie, stapte Clapton over naar John Mayall's Bluesbreakers, die een hem welgevalliger koers voeren. De Bluesbreakers bestond uit betere muzikanten. Ze waren echter veel onbekender, wat het toeren door Engeland een stuk oncomfortbeler maakte.

John Mayall had geen ruimte voor hotelkosten op zijn begroting gereserveerd, hij had achterin het bestelbusje voor zichzelf een opklapbed ingebouwd. De overige bandleden moesten zittend op de voorbank maar wat slaap zien te vatten tot het vale ochtendgloren aanbrak en ze op weg gingen naar de volgende stad. Clapton's reputatie bracht de band binnen de kortste keren in de frontlinies. De lp John Mayall's Bluesbreakers with Eric Clapton (1966) geldt nog altijd als een van de beste Britse blues-albums en was de gitaarplaat van zijn tijd. De opnamesessies waren een nachtmerrie geweest voor de technicus, omdat Clapton in het piepkleine studiootje zijn versterker voluit wilde zetten.

Het moest net zo hard zijn als bij een optreden, om een maximaal scala aan effecten op zijn gitaar te kunnen bereiken. Dit had tot gevolg dat het gitaargeluid doorlekte naar alle microfoons op de overige sporen. Mede daardoor klinkt de gitaar op de lp zo vet en vervormd, en dat werd weer de maatstaf voor jongere gitaristen die de riffs onder de knie probeerden te krijgen.

Jazztrio

`Ramblin' on my mind' is de eerste opname van een door Clapton gezongen nummer. Het fragiele, wat hese stemgeluid met zijn soepele timing en heldere frasering is ogenblikkelijk te herkennen, eigenlijk is het in de loop van de decennia nauwelijks veranderd. Uit hang naar puurheid wilde hij na de Bluesbreakers overstappen op een kleinere formatie, naar het voorbeeld van de jazztrio's. Het talent van de musici die hij daarbij voor ogen had, was belangrijker dan de persoonlijke vete's die ze met zich mee voerden: Jack Bruce en Ginger Baker, zijn medespelers in de formatie Cream, hadden in het verleden een intense afkeer voor elkaar ontwikkeld. Baker had zijn drumstokjes richting Bruce geworpen. Deze had geriposteerd door zijn contrabas naar de drumset te gooien, waarna een vechtpartij tussen de twee op het podium ontstond. Het geschil werd bijgelegd, zodat Cream van start kon.

Een concertorganisator had in een veel te vroeg stadium een toernee voor de band op poten gezet. Er was nog maar drie kwartier aan repertoire, voor een show van anderhalf uur. Mede hierdoor kreeg Cream het patent op breedsprakige improvisaties, een afdoende middel om het materiaal op te rekken. Na verloop van tijd was de onmin in Clapton's ritmesectie toch weer opgelaaid: “Op een avond deed ik een experiment en stopte middenin een nummer met spelen.

Ik stond daar gewoon maar te kijken hoe zij het nummer tot het eind toe uitspeelden en dacht well, fuck that.'

Niet honkvastheid, maar Wanderlust zou het kenmerk worden van Eric Clapton's muzikale loopbaan. Soms voelde hij de behoefte om juist niet de frontman te zijn, maar slechts een schakel in een band, zoals met de groep Derek and the Dominos. Andere keren vermeldde het affiche eenvoudigweg Eric Clapton & Band. Daarnaast duikt hij opvallend vaak op als gastmuzikant: Op het White Album van de Beatles Aretha Franklin's Good to Me as I am to You, bij Joe Cocker, Tina Turner Prince, Little Red Rooster van de Stones en een waslijst aan bluesgrootheden: John Lee Hooker, Muddy Waters en Champion Jack Dupree.

Tussen de ruisende palmen van het Caraibische eiland Antigua Clapton's huidige woonplaats, opende onlangs het Crossroads Center zijn deuren. Na een alcohol- en drugsverslaving die, met tussenpozen, meer dan twintig jaar in beslag nam, mag het openen van een eigenhandig opgezet afkickcentrum met recht een zelfoverwinning genoemd worden. `Crossroads' is het lijflied van Clapton, daterend uit zijn tijd met Cream.

Het nummer is oorspronkelijk van Robert Johnson, een naam die de ware bluesliefhebber de lippen doet krullen van eerbied. Over deze omstreeks 8 mei 1911 geboren King of the Delta Blues doen talloze legendes de ronde waarvan de sterkste is dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht, in ruil voor zijn ongevenaarde virtuositeit op de gitaar. Een soort Paganini aan de Mississippi dus. Feiten zijn er nauwelijks over hem bekend. Vanaf een foto staart een zelfverzekerd ogende neger met tengere, knokige handen je aan, een sigaret in de mondhoek. Johnson was een rondreizend muzikant die speelde in de jookhouses, gokholen en bordelen van het diepe zuiden Mississippi, Alabama en Arkansas.

In 1938 kwam hij om het leven vergiftigd door de jaloerse echtgenoot van een van zijn vele liefjes in een bar. Hij zou iets in zijn whisky hebben gedaan. Andere berichten spreken van een steekpartij. Dat is alles wat we weten.

Maar dan is er zijn muziek! Tweemaal zijn er opnames van hem gemaakt, waardoor 29 van zijn composities bewaard zijn gebleven en deze spreken boekdelen. Robert Johnson vermengde de stijl van het platteland met die van de stad en bracht de blues tot nieuwe expressieve hoogten. In zijn gitaarspel vormt een plukkerige en felle ritmische onderlaag de basis, waar overheen met veel gevoel en vibrato slideguitar-licks gedrapeerd worden. Zijn stem is soms klaaglijk, dan weer berustend of bulderend, maar altijd van een geweldige dramatische zeggingskracht.

Smoezelig

Eric Clapton wordt vaak vergeleken met de in 1970 aan een overdosis overleden gitarist Jimi Hendrix. Cream heeft model gestaan voor het trio dat Hendrix formeerde en toen Hendrix in 1965 in Londen arriveerde, kreeg hij op voorspraak van Clapton optredens. Hoewel ze elkaar bewonderden en bevriend waren, is het publiek altijd sterk in twee kampen verdeeld geweest over de vraag wie de beste gitarist was. Vast staat dat Hendrix Clapton met enige straatlengtes achter zich laat als het aankomt op extravagantie, improvisatievermogen en vormgevoel en op een ongebreidelde experimenteerdrang om het gitaaruniversum tot in alle uithoeken te verkennen. Het geluid van Eric Clapton ontbeert ook het branieachtige rafelige van Keith Richards van de Rolling Stones; de smoezelige klank van een creep die al drie weken lang in hetzelfde truitje rondloopt.

De kracht van Eric Clapton schuilt in het persoonlijke, het introverte en intieme.

Zijn spel is wars van het verlangen tot imponeren, vaak klinkt het alsof hij gewoon wat voor zichzelf aan het spelen is. Het komt het beste tot zijn recht in een vrij kleine bezetting met een tamelijk transparant geluid. Als hij dicht bij de bronnen van de blues blijft, in zekere zin dus. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de cd Unplugged (1992) zijn meest succesvolle album is. Er wordt gebruik gemaakt van een semi-akoestische bezetting en op dit terrein is Clapton onverslaanbaar. De cd bevat het nummer `Tears in Heaven', dat hij schreef naar aanleiding van de dood van zijn vijfjarige zoontje Conor, die van de 53ste verdieping van een New-Yorks appartement ter aarde stortte. Daarnaast staan er ook twee Robert Johnson klassiekers op, `Walkin' Blues' en `Malted Milk'. Zijn meest recente cd Pilgrim (1998) klinkt daarentegen een beetje flets en ongeinspireerd. Het zijn veelal vlakke nummers in gemakzuchtige arrangementen. Maar voor iemand met de staat van dienst van Eric Clapton zegt zoiets helemaal niets. Een volgend album zal ongetwijfeld meer verrassingen bevatten.

De blues, een sentiment uit het tijdperk van voor de permanente chemische euforie van prozac en xtc. De eenvoud en eenzaamheid van een man met een gitaar die zijn leed bezingt. Mits smaakvol vertolkt, kan het in zeggingskracht een compleet orkest met toeters en bellen doen verbleken en verpulveren met zijn smart. De blues zit niet in de noten, daarvan zijn er vaak maar heel weinig. Het zit ook niet in de harmonieen, want het aantal te gebruiken akkoorden bedraagt nooit meer dan drie. De blues zit tussen de noten. Het verschuilt zich in de spanningsbogen van de rusten, of in de geringste buiging van de melodielijn in de zang. De blues is de kunst van het weglaten; niet zozeer van niet meer kunnen, maar van niet meer willen.