Citeren van een bron blijkt heel nauw te luisteren

De rechtbank in Amsterdam veroordeelde deze week een publicatie van de Volkskrant als onrechtmatig. Twistpunt is wat aanhalingstekens nu eigenlijk betekenen.

Oud-voorzitter Wouter Huibregtsen van de sportkoepel NOC*NSF en Hans van Wissen, redacteur van de Volkskrant, kenden elkaar persoonlijk. Is dat niet de bron van alle ellende met het geruchtmakende openingsartikel van Van Wissen met kritische uitspraken van de gepasseerde voorzitter over de kroonprins en het Internationaal Olympisch Comite (IOC) ?

Een van de lastigste opgaven in de journalistiek is het scheiden van de persoonlijke en zakelijke sfeer. Het is natuurlijk niet verboden een bekende aan te spreken voor nieuwsgaring, maar een open vizier is dan een eerste vereiste.

De rechtbank Amsterdam stelt in zijn vonnis tegen de Volkskrant vast dat van misleiding geen sprake is geweest. Het was aan beide kanten duidelijk dat de journalist de bevriende toen-nog-voorzitter opbelde voor publiek commentaar op de benoeming van kroonprins Willem-Alexander in het IOC. Iemand met een jarenlange ervaring in een publieke functie in de sportwereld zoals Huibregtsen moet er volgens de rechters ook op bedacht zijn geweest dat zijn woorden in de publiciteit zouden komen. De juridische pijn zit hem in de weergave van de gewraakte citaten. De rechtbank zegt er dit van: aan de schrijver komt niet de vrijheid toe om redenen van leesbaarheid, of om andere redenen, als citaat op te nemen wat niet letterlijk door de persoon wiens woorden worden aangehaald, is gezegd. Dit geldt volgens de rechters helemaal in een geval als het onderhavige, waarvan een ieder met z'n klompen kon aanvoelen dat het repercussies zou hebben.

Behoort dat laatste echter niet eerder tot de risicosfeer van de publieke figuur, waarop de rechters nu juist de nadruk leggen? Deze vraag geldt ook voor de gewraakte term `lafheid' c.q.

`laf'. Uit de aantekeningen van de journalist leidt de rechtbank af dat Huibregtsen niet het initiatief heeft genomen tot een dergelijke kwalificatie van enige gedraging van de kroonprins. Maar ook als de verslaggever de toon heeft gezet, zoals de rechters het uitdrukken, dan kan zeker van een publieke figuur toch de tegenwoordigheid van geest worden verwacht deze toon zonodig te ontkennen?

Het doorslaggevende element in de Amsterdamse uitspraak is het belang dat hij hecht aan het gebruik van aanhalingstekens. “Waarom we verliezen', aldus de ietwat bittere reactie van de auteur van het gewraakte artikel in de Volkskrant, “van `saboteren' mag je niet `saboteur' maken en van `laf' niet `lafheid'.' De betrokken journalist had zichzelf kwetsbaar gemaakt. Hij had aantekeningen van het telefoongesprek gemaakt op de achterkant van bankafschriften, maar hij gaf toe dat deze fragmentarisch waren en dat hij deels uit zijn geheugen had gewerkt.

Het is een situatie die menige schrijvende journalist zal herkennen, al was maar door het ontbreken van een stenodiploma. Dat scherpt overigens vaak het korte-termijngeheugen. Journalisten kunnen toch altijd een bandrecordertje gebruiken? Een collega karakteriseert de Amsterdamse uitspraak luchtig als: “Linda Tripp maakt school', met een verwijzing naar de `vriendin' van Monica Lewinsky wier verborgen bandopnamen de stoot gaven tot het schandaal waarin president Clinton nu is verwikkeld. Juridisch is er weinig mis met deze methode. De strafwet maakt een uitzondering voor het opnemen van gesprekken door een deelnemer of via de eigen telefoonaansluiting, maar het blijft een inbreuk op de privacy. Bandopnamen hebben bovendien hun eigen bezwaar: het is technisch mogelijk er zo in te knippen dat het eindresultaat niet overeenstemt met de authentieke bedoeling van de zegsman.

Hetzelfde geldt overigens voor uitgeschreven krabbels op de achterkant van bankafschriften.

Dit neemt niet weg dat aanhalingstekens in een kranteninterview een serieuze aangelegenheid zijn. De vrijheid van meningsuiting omvat niet alleen het recht een mening te geven, maar ook om dat niet te doen. De Amsterdamse rechtbank zegt dat aanhalingstekens “iedere mogelijke nuancering' van de weergegeven uitspraak uitsluiten. Maar dat laatste is op de keper beschouwd een petitio principii, het aannemen van wat nu juist bewezen moet worden. Of dit werkelijk het geval is, is afhankelijk van maatschappelijke conventies over de betekenis die wordt gehecht aan uitspraken tussen aanhalingstekens.

Een strikte opvatting werd in 1987 verwoord door het Europese Hof voor de mensenrechten. Dit verklaarde in de zaak-Lingens dat bij een publieke figuur hoort dat elk van zijn woorden of daden is onderworpen aan kritisch onderzoek door publiek en pers. Deze overweging geeft, net als de Amsterdamse rechtbank doet, een zware lading aan het gebruik van aanhalingstekens. Maar er bestaat ook een andere benadering, zoals in de VS, waar de speciale positie van de publieke figuur in het mediarecht vandaan komt.

Eind jaren tachtig speelde daar een opzienbarend geding tussen de dissidente psychoanalyticus Jeffrey M.Masson en de journaliste Janet Malcolm, die hem portretteerde in The New Yorker op basis van een hele serie gesprekken. Masson beklaagde zich over vijf citaten. Malcolm moest toegeven dat haar bandopname-apparaat het enkele keren had begeven en dat ze haastige aantekeningen kwijt was geraakt. Wel had ze nog een uitgetypte versie.

De journaliste ontkende niet dat zij uitspraken tussen aanhalingstekens vrij had samengevat.

Een federaal hof van beroep verklaarde dat dit door de beugel kon zolang deze citaten blijk gaven van een “redelijke interpretatie' van de feitelijke woorden. Het federale Hooggerechtshof legde de lat voor de journaliste hoger. Maar dit hof hield het er nog altijd op dat publicatie alleen onrechtmatig was als er sprake was van een “inhoudelijke verandering'.

Of de Amsterdamse uitspraak deze belangrijke toets doorstaat, is nog maar de vraag. Hij is daarom belangrijk genoeg voor hoger beroep.