Blauw bloed

Adel is adel. Dat is waar. Maar als men de adel in Belgie vergelijkt met die in Nederland vallen direct verschillen op. Om te beginnen in het aantal: Nederland kent ongeveer 10.000 edelen (of `nobiljons' zoals auteur Van den Berghe ze noemt) op een bevolking van 15 miljoen. Belgie het dubbele: 20.000 op een bevolking van 10 miljoen.

Dit grote aantal is vooral het gevolg van de regelmatige toevoer van `fris bloed': elk jaar verheft de Belgische koning zo'n vijftien tot twintig verdienstelijke lieden in de (erfelijke) adelstand. Zo werden uitgever Godfried Lannoo en klarinettist Walter Boeykens verheven tot ridder en wielrenner Eddy Merckx tot baron. Met Spanje en Groot-Brittannie is Belgie nog het enige land waar het staatshoofd adellijke titels verleent. Zo'n verheffing gebeurt in Nederland al lang niet meer, ook al wordt dit af en toe voor speciale gevallen wel weer eens bepleit.

De (nieuwbakken) adel in Belgie lat zijn achternaam bovendien graag verfraaien door er bijvoorbeeld het adellijk lijkende de (met kleine d!) voor te zetten en/of er welluidend klinkende namen aan toe te voegen. Dit heeft soms merkwaardig lange namen tot gevolg, zoals die van de familie de Roest d'Alkemade, Oem de Moesenbroeck, Pouppez de Kettenis de Hollaeken, en Ruffo de Bonneval de la Faire des Contes de Sinopoli de Calabre.

Een volgend opvallend verschil tussen Belgische en Nederlandse adel is het soort titels: terwijl het in ons buurland wemelt van de prinsen (Ligne, Croij, Arenberg), hertogen (d'Ursel) en markiezen (de Trazegnies), kennen wij in Nederland alleen prinsen van ons Koninklijk Huis (en de kinderen van prinses Irene). Hertogen en markiezen lopen hier niet meer rond, alleen graven, baronnen en ridders. Jonkheer is geen titel maar een predikaat.

Het adellijk leven zorgt ook voor grote verschillen. Terwijl tal van onze adellijke zuiderburen nog hun voorvaderlijke landgoederen en kastelen in grote stijl bewonen, is dat in Nederland in veel mindere mate het geval. En de weinige Nederlandse edelen, die hun familiekasteel nog bezitten (Groeninx van Zoelen op Huis ten Donck, Van Lynden op Keppel, Van Eysinga op Epema-State, om er een paar te noemen), kunnen dat vaak alleen volhouden dankzij een persoonlijke inzet gecombineerd met commerciele uitbating (recepties, diners, bezichtigingen).

De Belgische nobiljons wonen niet alleen adellijk, ze leven ook adellijk: ze bezoeken adellijke bals, zijn lid van adellijke clubs, bezoeken adelscongressen en trouwen 't liefst met adel. In hun vrije tijd lezen ze over elkaar in het lijfblad l'Eventail. Alle society-gebeurtenissen staan hier uitvoerig in, met fotoreportages van de bruiloft van Ridder Zus met Barones Zo, van het feest van Graaf en Gravin van A. de B. tot C., en het beeldige interieur van Prins D. Dat is wat anders dan Story of Prive.

Voor zulke festiviteiten heb je namen en adressen nodig - en daarvoor zijn de Carnet Mondain, de bijbel van de Belgische High Society, en de High Life de Belgique onontbeerlijk, lijvige naslagwerken met personalia, adressen en familiewapen van standgenoten. Je kunt er je naam niet zomaar in laten opnemen, want de selectie is streng. Natuurlijk, Nederland heeft ook deftige bals en clubs, maar die halen het niet bij de gekoesterde exclusiviteit van de Belgische adel.

Al deze facetten beschrijft de Belgische journalist Van den Berghe in de eerste helft van zijn boek. Ook vertelt hij wat de adel tegenwoordig zoal voor de kost doet (van boer tot bankdirecteur) en in welke bedrijfstakken zij vooral vertegenwoordigd is. Vergeleken met Nederland bekleden vrij veel edelen hoge posities of zetelen in Raden van Bestuur van grote bedrijven. Bij nader inzien betreft het dan toch vooral nieuwe adel zoals Solvay (tegenwoordig jonkheer Solvay de la Hulpe), Lippens van de financiele groep Fortis AG (graaf sinds 1946) en baron Lambert van de gelijknamige bank. Ze zijn te vergelijken met onze eigen nieuwere elite die in Belgie allang graaf Dreesmann, baron Lubbers en ridder Jurgens had geheten.

In het tweede deel komen dertien nobiljons aan het woord over de voor- en nadelen, over rechten en plichten. `De adel behoort het laatste bastion van goed fatsoen te zijn' meent de bejaarde prinses Yolande de Croij. 'Eenvoudig zijn is moeilijk als je het niet bent', zegt prins Alexandre de Merode. Van oudsher wordt de Belgische adel beschouwd als conservatief, katholiek en royalistisch. Dat is ze nog steeds, erkennen vrijwel alle ondervraagde edelen. Het derde deel behandelt zes adellijke zwarte schapen waaronder een zwendelende graaf, een burggraaf als moordenaar en een - volgens zijn ex-vrouw - psychopathische en seksueel gestoorde baron.

Wat enigszins ontbreekt is een gedegen historische achtergrond gekoppeld aan een vergelijking met de overige Europese adel. Blijkens de literatuurlijstheeft hij daarnaar ook geen onderzoek gedaan. Weliswaar is er een hoofdstukje over adel in andere Europese landen, maar dat is erg summier. Dit neemt niet weg dat dit boek, zeker als men het vergelijkt met de doorgaans zeer oppervlakkige publicaties over dit onderwerp, een aantrekkelijke en betrouwbare momentopname van de Belgische adel vormt.