Aanleunwoning, maar dan in het Frans; Nijhoff-prijs voor vertaalster Anne-Marie de Both-Diez

“Het stoort mij dat niemand in Frankrijk weet wie Annie M.G. Schmidt is,' zegt vertaalster Anne-Marie de Both-Diez. Ze ontvangt woensdag de Martinus Nijhoff-prijs voor haar vertalingen van het werk van onder anderen Hella Haasse, F. Springer en Cees Nooteboom in het Frans.

“Een fantastische vrouw met een grote liefde voor de Nederlandse literatuur en een moederlijke zorg voor vertalingen', zegt schrijver Kader Abdolah over Anne-Marie de Both-Diez, “een beetje de Annie M.G. Schmidt van de vertalingen'. ``Als ik haar vertaling lees, lees ik mijn eigen boek in het Frans', zegt haar vriendin Hella S. Haasse, “ze laat werkelijk niets aan het toeval over'. Rudi Wester van het Literair Produktiefonds roemt haar als een voorbeeld van hoe een vertaler zou moeten zijn. “Zij is conscientieus en betrouwbaar en heeft Hella Haasse, Cees Nooteboom en Annie M.G. Schmidt in Frankrijk de naam gegeven die zij verdienen.' Het juryrapport van het Prins Bernhard Fonds prijst haar `precieze en heldere vertalingen die steeds aan zowel de stijl als de inhoud van het origineel op een uitmuntende wijze recht doen'.

Terwijl de direct betrokkenen zich uitputten in het vinden van superlatieven om de kwaliteit van haar vertalingen te prijzen, zegt de bescheiden laureate zelf dat zij `werkelijk stomverbaasd' was toen ze de brief van het Prins Bernhard Fonds, waarin haar de Martinus Nijhoff prijs werd toegekend, had gelezen. “Eerst dacht ik dat het weer zo'n brief was waarin om geld werd gevraagd. Ik kon het niet geloven. Ik heb meteen gekeken wat de consequenties waren want het is natuurlijk prachtig om zo'n prijs te krijgen, maar je moet er altijd wat voor doen. Omdat ik een druk bestaan heb met allerlei mogelijke vertalingen, zag ik daar nogal tegen op. Ik kreeg inderdaad stapels post en de vertalingen moesten even aan de kant', vertelt de vertaalster in het ruime, lichte appartement in Amersfoort waar zij samen met haar man woont. De ramen van haar werkkamer kijken uit op een mooie, lommerrijke laan.

“Ik ben alleen maar gelukkig als ik rust heb. Dat is niet zo leuk voor mijn man, maar vertalen is nu eenmaal een eenzame bezigheid, waar je veel zelfdiscipline voor nodig hebt. Als ik aan het werk ben is dat mijn hele wereld. Ik houd er niet van na een paar uur te moeten stoppen, boodschappen te doen, te koken, omdat er bezoek komt. Soms, als ik ergens ongerust over ben, werkt vertalen voor mij als een kalmerende pil. Ik concentreer me zo dat mijn geest bevrijd wordt van wat me zorgen baart.'

Al op de middelbare school in Frankrijk had Anne-Marie de Both een voorliefde voor vertalen, ver voor haar huwelijk in 1956, het jaar waarin ze van Epinal naar Groningen verhuisde. Eerst deed ze een cursus Nederlands. “Wat maakt Jan? Jan maakt een taart', herinnert ze zich lachend. “Veertig jaar geleden waren er nog behoorlijk wat mensen die Frans spraken. Enerzijds verbaasde men zich erover dat ik Nederlands leerde, anderzijds waren ze ook wel trots dat ik de moeite deed hun taal te spreken.'

Na enkele jaren Frans te hebben gedoceerd aan middelbare scholen in Groningen, werd Anne-Marie de Both in 1963 wetenschappelijk medewerker aan de universiteit. “Ik gaf colleges tekstverklaring, moderne poezie en literair vertalen - van het Nederlands naar het Frans. Als je een andere taal goed wilt leren, moet je in die taal gaan schrijven, of - als je niet creatief genoeg bent - gaan vertalen. Dan word je met je neus op de verschillen gedrukt. In de tijd dat ik doceerde vonden veel mensen dat belachelijk, maar als je vertaalt ben je gedwongen heel nauwgezet op de taalkundige constructies te letten. Ik moest als student de toespraken van generaal de Gaulle in het Latijn vertalen.

Hoe ik dat gedaan heb weet ik niet meer, maar het was een goede oefening.

“Aan de universiteit heb ik ook meegewerkt aan een boek over de tijden van het Franse werkwoord: passe compose, imparfait, passe simple enzovoorts. Een Nederlander heeft daar geen kaas van gegeten. Bij het vertalen is dat ook een groot probleem. Je ris (ik lachte, passe simple) is niet hetzelfde als je riais (ik lachte, imparfait) of als j'ai ri (ik heb gelachen, passe compose).'

“Een van de grote moeilijkheden bij het vertalen van het Nederlands naar het Frans is het gemak waarmee het Nederlands van elk werkwoord een zelfstandig naamwoord maakt, zoals `het wegkrabben van een vlek' of `het gooien van een fles door een raam'. Het Nederlands schakelt ook heel gemakkelijk woorden aan elkaar, om er weer een nieuw woord van te maken. Neem een woord als `aanleunwoning', dat niet in het woordenboek te vinden is en in het Frans niet bestaat. Residence-de-services heb ik daarvan gemaakt. Zo breid ik voortdurend het woordenboek Nederlands-Frans uit. De redactie van de Van Dale wil graag mijn oude woordenboeken hebben om mijn aanvullingen bij een herdruk te gebruiken, maar ik heb ze zelf nodig. Ik ga niet steeds mijn aantekeningen overnemen in een volgend exemplaar. Echt nieuwe woorden verzin ik alleen als de auteur ook zelf iets nieuws heeft gefantaseerd. Ik herinner mij dat ik dat heb gedaan bij een vertaling van Cees Nooteboom, alleen weet ik niet meer welk woord dat was. Nooteboom zei eens over een vertaler dat hij verder schreef aan zijn tekst. Il allonge la sauce, bedoelde hij. Dat was niet zo. Je moet je steeds weer realiseren dat het Frans een romaanse taal is en het Nederlands een germaanse.

In het Nederlands zeg je soms iets in acht tot tien woorden, terwijl je daarvoor in het Frans een kleine twintig woorden nodig hebt.'

F. Springer

In 1984 verliet Anne-Marie de Both de universiteit om zich toe te leggen op het vertalen van Nederlandse literatuur naar het Frans. “Ik wilde de Nederlandse cultuur uitdragen in Frankrijk. Dat voelde ik als mijn missie', zegt ze fier en nog steeds vol overtuiging. Tijdens de Table Ronde du Livre Traduit georganiseerd door het Maison Descartes in 1987, maakte zij kennis met uitgever Hubert Nyssen van Actes Sud: `hij wenkte mij met een glas in zijn hand, helemaal vanaf de andere kant van de zaal, terwijl die vol stond met mensen. Ik weet nog goed dat mij dat erg shockeerde'. Het jaar erop verscheen Un gout d'amandes ameres (Een nieuwer testament) van Hella S. Haasse bij uitgeverij Actes Sud en Bougainville van F. Springer bij uitgeverij Le Seuil. “Verschrikkelijk jammer dat dat boek geen succes heeft gehad. De uitgever verzuimde publiciteit eraan te geven en dan kun je het vergeten. Nu weet nog bijna niemand in Frankrijk wie Springer is.'

Van Hella S. Haasse vertaalde Anne-Marie de Both inmiddels een indrukwekkende reeks romans. Enkele weken geleden verscheen La source cachee (De verborgen bron) bij uitgeverij Actes Sud. Ter gelegenheid van haar twintigjarig bestaan deze maand nodigde de uitgeverij een tiental van haar top-auteurs, onder wie Hella Haasse, uit voor een feestelijke tournee van Arles naar Parijs. “De voortreffelijkheid van Anne-Marie's vertalingen heeft ongetwijfeld een grote rol gespeeld bij mijn succes in Frankrijk', zegt Hella Haasse. Anne-Marie de Both van haar kant `viel op de manier waarop Hella haar taal hanteert, haar uitstraling, haar talent om sfeer te scheppen, haar eruditie die werkelijk epoustouflante is.

Ongelooflijk. Zij is ook altijd beschikbaar voor vragen. Van alles wat ik heb vertaald deed ik Het woud der verwachting met het meeste plezier. Het speelt voor een deel in Frankrijk en is gesitueerd in de Middeleeuwen een periode waarmee ik grote affiniteit heb. Hella beschrijft hoe Charles d'Orleans loopt te wandelen met zijn jongere broertje in een loophek. Ik herinner me dat ik uren heb gezocht naar de juiste vertaling van dat woord loophek. Ik heb een specialist Middeleeuwen van de Universiteit van Groningen aangeschreven en afdelingen van allerlei musea. Daar wisten ze het niet en nu weet ik het nog niet. Soms vind je iets meteen en soms vind je het nooit.'

“Momenteel ben ik bezig met de vertaling van Blote handen van de Vlaamse schrijver Bart Moeyaert, een boek waarin de verteller zogenaamd een kind is van elf jaar. Maar geloof me, zo zou een kind van elf nooit schrijven. Ik vond het gekunsteld, gezocht. Moeyaert heeft een heel eigen stijl, een heel eigen taal. Hij schrijft bijvoorbeeld: de keuken was rond van de hitte, het erf was dichtgeregend door de jaren aangestampt. Om dat in het Frans leesbaar te maken moest ik het toch anders doen. De mensen vallen anders straks de vertaler aan en niet de auteur. Ik heb geprobeerd zo weinig mogelijk van die vreemde tournures weer te geven, anders zeggen ze dat het geen Frans is. Ik schrijf met in mijn hoofd de doellezer - het kind zelf en misschien zijn ouders als ze in de lectuur van hun kind geinteresseerd zijn - en niet de lezer van de oorspronkelijke tekst. Je wilt tenslotte dat een Nederlandstalige auteur in Frankrijk bekendheid krijgt, dat het boek verkoopt. Je mag een boek niet mooier maken dan het is, ook al zou je zelf - en dat gebeurt vaker - een bepaald woord niet in die bepaalde context gebruiken.

“Vaak vraagt men mij waarom ik geen boeken vanuit het Frans in het Nederlands vertaal, maar dat zou ik gewoon niet kunnen. Je moet een taal beheersen vanaf je tweede jaar, anders kun je het vergeten. Als ik een eenvoudige zin in het Frans formuleer en ik zet hem om in het Nederlands, dan voel ik dat een Nederlander dat niet zo zou zeggen. Je kunt nooit iets letterlijk vertalen. Ik probeer altijd zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst te blijven en daarbij niet alleen een equivalent te vinden voor de betekenis, maar ook voor de klanken en voor het ritme, zodat het Frans hetzelfde effect heeft op een Fransman als het Nederlands op een Nederlandstalige. Heel veel mensen denken dat ze kunnen vertalen omdat ze de taal redelijk beheersen. Maar tien jaar in Frankrijk wonen betekent nog niet dat je in het Frans kunt vertalen. Er zijn ook veel te weinig goede vertalers van Nederlandse literatuur, ook al klinkt dat misschien pretentieus. Er zijn gewoon maar heel weinig mensen in Frankrijk die zich met de Nederlandse taal bezighouden.'

Un preservatif

Daarbij komt dat er met literair vertalen nauwelijks een bestaan valt op te bouwen. “Ik werkte in het begin dag en nacht, maar ik kan mij niet voorstellen dat je van vertalen kunt leven', zegt Anne-Marie de Both, “zelfs niet nu ik tot de categorie van beter betaalden behoor. In het jaar waarin ik Heren van de thee van Hella Haasse vertaalde, kreeg ik geloof ik vijfenzestigduizend Franse francs. Het klinkt enorm, maar je bent er wel een heel jaar mee bezig. Een jonge vertaler zonder training redt het niet in die tijd. Bovendien gebruik ik geen computer. Mijn man zet al mijn teksten op diskette. Dat neerschrijven van die lettertjes is een wezenlijk deel van mijn werk.

Ik hoorde ooit een schrijver op de Franse televisie zeggen dat la machine a traitement de texte, c'est desagreable pour la sensation c'est comme faire l'amour avec un preservatif (dat werken met de computer onaangenaam is voor het gevoel, net als de liefde bedrijven met een condoom - md). Zo voel ik dat ook.'

Helemaal tevreden over de resultaten van haar zelfgekozen functie als ambassadrice van de Nederlandse literatuur is Anne-Marie de Both niet. Een paar jaar geleden vertaalde ze voor uitgeverij Albin Michel Het beertje Pippeloentje van Annie M.G. Schmidt. Het beertje kreeg van haar de naam Bobelichon “omdat ik in gedachten steeds cette petite bouche ronde zag van Annie Schmidt. De Franse uitgever heeft de naam veranderd in Robinson, vanwege de associatie met de avontuurlijke held van Daniel Defoe. Ook hebben ze het beertje vrouwelijk gemaakt, notabene omdat het op een illustratie roze strikjes had! Ik neem het mezelf kwalijk dat ik met dit soort veranderingen akkoord ben gegaan. Misschien gebruik ik het geld van de Martinus Nijhoff prijs wel voor een nieuw Annie M.G. Schmidt project. Het stoort mij bijzonder dat zij in Nederland zo'n begrip is en dat in Frankrijk niemand er een flauw idee van heeft wie ze is.'

Nederlanders gaan over het algemeen slordig met hun taal om, vindt Anne-Marie de Both. “Aan taal wordt op school veel minder aandacht besteed dan in Frankrijk en ook Duitsers vind ik nauwkeuriger in hun taalgebruik dan Nederlanders. De haren rijzen je te berge als je de taal hoort die in sommige televisieprogramma's wordt gebezigd.' Meer nog windt De Both zich op over het beeld dat er in de kranten van Frankrijk geschetst wordt. “De journalisten scheppen een anti-Franse mentaliteit.

In ieder stuk dat ik lees over Frankrijk staat wel een beledigende opmerking of een negatief commentaar. De Fransen zijn arrogant, de Fransen zijn een soort Napoleon, etcetera, etcetera. Laten ze eens wat relativerender zijn. De nuancering die ze opbrengen als ze over Engeland of de Verenigde Staten schrijven, tref je nooit aan in een stuk over Frankrijk. Ik zou bijna blij zijn over het feit dat steeds minder mensen de krant lezen.'