'Turkije wordt niet islamitischer maar bozer'; Schrijver Orhan Pamuk over vijfenzeventig jaar Turkije

De Turkse republiek bestaat vandaag 75 jaar. Het land viert uitbundig feest. Maar er zijn ook kritische geluiden. “De herdenking is vooral een excuus om onze wezenlijke problemen te verdoezelen.' Een gesprek met de internationaal bekende Turkse schrijver Orhan Pamuk.

“Van nature ben ik zowel naief als achterdochtig', zegt de Turkse schrijver Orhan Pamuk. “Ik deel het bijna kinderlijke enthousiasme van het Turkse volk om feest te vieren. Om te benadrukken dat de missie van onze grootvaders - de traditionele samenleving om te vormen tot een moderne, Westerse natie - tot op zekere hoogte is volbracht. Maar tegelijkertijd vraag ik me af waarom we 75 jaar zo'n belangrijk punt van markering vinden. Waarom moeten we zo dringend onze nationale trots oppoetsen? Ik kan het niet anders zien dan als een manier om wezenlijke problemen te verdoezelen: het schenden van de mensenrechten het economische wanbeleid, de Koerdische kwestie, de opkomst van de politieke islam, de nationalistische tendensen, de gebrekkige democratie de macht van het leger in de politiek en de infiltratie van de mafia in alle sectoren van de samenleving.'

In zijn boeken houdt Pamuk zich bezig met actuele dilemma's: hoe Turkije klem zit tussen Oost en West en hoe het zoekt naar een identiteit. In plaats van ze aan te wenden voor politiek of ideologisch gewin, gebruikt hij deze thema's voor zijn boeken.

Maar sinds Pamuk internationale bekendheid kreeg, is hij zich noodgedwongen ook politiek gaan weren. Er werd een appel gedaan op zijn geweten. De roem dreef de schrijver uit zijn studeerkamer aan de Bosporus in Istanbul om te ageren tegen de manier waarop de staat bijvoorbeeld omgaat met het vraagstuk van de Koerden. Ook nam hij stelling tegen de gebrekkige vrijheid van meningsuiting.

Pamuk ergert zich dat het establishment in Turkije niet bereid is om oplossingen voor de problemen te zoeken. “In plaats daarvan hijsen we de vlag, stuwen we de nationalistische gevoelens op en zoeken we naar een mogelijkheid om feest te vieren.

Ataturk, de stichter van de republiek, richtte Turkije op het Westen. Maar de zogenaamde volgelingen van dit grote idee, degenen die dit land besturen, het establishment, zijn niet in staat om zijn werk te voltooien. Zij imiteren zijn gebaren en gewoonten, en ze gebruiken de naam 'Ataturk' om de kritiek vanuit Europa op de schendingen van de mensenrechten en de gebrekkige democratie te pareren. Dat de rest van de wereld ons niet begrijpt, is niet ons probleem. Tegelijkertijd gebruiken we de spaarzame Turkse successen in internationale voetbalcompetities om onze gekwetste trots op te vijzelen. Ik zie parallellen met wat zes jaar geleden in ex-Joegoslavie in gang werd gezet. De Serviers claimden ook dat ze een unieke plaats in de wereld innamen.'

De Turkse republiek is een reactie op het machtige Ottomaanse rijk, dat zich op het hoogtepunt van zijn bloei over drie continenten uitstrekte. Op de puinhopen van dat imperium werd een nieuwe natie gesticht, waarin iedereen gelijk was en dezelfde - Turkse - taal moest spreken. Is dat smalle begrip van wat een 'Turk' is, van boven opgelegd door Ataturk bij de stichting van de republiek, vandaag de dag het grootste struikelblok voor verdere modernisering en democratisering?

“De kernvraag', aldus de schrijver, “is hoe we een gesloten, centraal geregeerde samenleving open kunnen breken. Het probleem is dat de aansluiting van Turkije bij het Westen op een anti-democratische wijze door Ataturk werd afgedwongen. Hij maakte gebruik van de macht van het leger en de bureaucratie. Negentig procent van de Turkse bevolking had er geen idee van wat er in hun land gebeurde: ze werden gedwongen hun kleding te veranderen, plotseling leerden ze het latijnse in plaats van het arabische alfabet, wetten werden aan die van het Westen aangepast en islamitische instituties verloren hun gezag.'

Volgens de Turkse schrijver zijn de anti-kemalistische (de leer van Ataturk) en de anti-modernistische sentimenten van vandaag de dag in Turkije daar een reactie op. “De contradictie is dat deze krachten zich kunnen ontwikkelen dankzij de democratie. Bij elke verkiezing zijn er meer mensen die zich tegen het gevestigde gezag keren. Turkije is op dat punt een uitzondering in de wereld. Meer modernisering leidt niet genoodzakelijkerwijs tot een democratischer bewind. Dat is het dilemma wanneer de aansluiting van een land bij de Westerse, moderne wereld op een anti-democratische manier is afgedwongen.'

Pamuk laat zich de laatste maanden weer minder zien op politieke manifestaties. “Ik word niet langer begrepen. De opkomst van de politieke islam is voor veel mensen in dit land een reden tot paniek. Ook het gevestigde gezag heeft elke redelijkheid verloren en de macht overgedragen aan het leger. Turkije is opgedeeld in een seculier kamp dat wordt aangevoerd door de machtige militairen en een islamitisch kamp dat wordt geleid door de moslim-fundamentalistische Partij van de Deugd. Deze escalatie van krachten verlamt het land. Mijn teleurstelling is dat niemand - de burgerorganisaties, de liberale intellectuelen, de politieke partijen - dat heeft weten te voorkomen. De polarisatie gebiedt ons elke dag om te kiezen. Met als gevolg dat Turkije onregeerbaar is geworden. Ik neig er naar om te geloven dat als de militairen vorig jaar de fundamentalistische regering-Erbakan niet naar huis hadden gestuurd, de politieke islam geleidelijk aan gematigder was geworden. Door regeringsverantwoordelijkheid te dragen, had ze zich omgevormd tot een partij van het systeem, vergelijkbaar met de christen-democratische partijen in Europa.'

“Het probleem is niet', meent de schrijver, “dat er onduidelijkheid bestaat over de Turkse identiteit (een mix van de Westerse cultuur en traditionele waarden en normen) maar dat het economische wanbeleid de tegenstellingen aanwakkert. We kampen met enorme verschillen in inkomens tussen een brede, arme onderlaag en een kleine, rijke bovenlaag. Een belangrijk deel van het volk zet zich daarom tegen het gevestigde gezag af en stemt op politieke partijen die buiten het systeem operen. Vijftien jaar geleden vertegenwoordigde het communisme die rol. Nu protesteren mensen door de politieke islam aan te hangen. Turkije is niet religieuzer, maar bozer geworden. Het ontbreekt in dit land aan instituties, organisaties en patronen van denken om die miljoenen woedende en teleurgestelde mensen te begrijpen. In plaats daarvan wordt het leger op hen afgestuurd, worden hun publicaties gesloten en worden hun leiders berecht. De manier waarop bijvoorbeeld met de problematiek van de Koerden wordt omgegaan, is identiek aan hoe nu wordt gepoogd om de politieke islam te elimineren: onderdrukking.'

Pamuk omschrijft de rol van het leger in Turkije als 'semi-legaal'. “Het is de democratie van onze cultuur. Hierdoor komen hervormingen niet tot stand. Dat laten we aan het leger over. Maar die bedient zich van methoden als onderdrukking, brute kracht en het schenden van de mensenrechten. De militairen vertegenwoordigen een organisch deel van het systeem.'

Hoe kan dat veranderen? En waarom verheffen de intellectuelen in Turkije hun stem nauwelijks nog? Het lijkt er zelfs op dat ze stilzwijgend instemmen met de invloedrijke rol van het leger in de politiek, als schild tegen de politieke islam.

Pamuk: “Ik zie een zekere gelijkenis met wat er landen als ex-Joegoslavie met de communisten gebeurde na de val van de Berlijnse muur. Ze werden in snel tempo nationalistisch. In Turkije is dat niet anders. Het zijn mede de voormalige communisten en socialisten die nu claimen dat de Westerse hervormingen van Ataturk worden ondermijnd door de politieke islam. En dat daar streng tegen moet worden opgetreden.'