Staatshoofd kan moeilijk berecht worden

Het strafrecht is in principe een nationale aangelegenheid. Maar het is de vraag of dat ook geldt voor misdaden tegen de menselijkheid. De bestaande rechtsregels geven daarover nog steeds geen uitsluitsel.

Een officiele hoedanigheid - inclusief die van staatshoofd - bevrijdt een persoon niet van verantwoordelijkheid voor misdrijven tegen de vrede en veiligheid van de mensheid. Dit zegt het jongste ontwerp voor een wetboek van internationale misdrijven van de VN-commissie van deskundigen. Deze code moet het wetboek worden voor het internationale strafhof waartoe deze zomer in Rome werd besloten. De boodschap is duidelijk: Pinochet kan zich niet verschuilen achter zijn status van regeringsleider.

De Engelse rechter ziet dat anders. De ex-dictator heeft als voormalig soeverein immuniteit in civiele en strafrechtelijke gedingen voor Britse rechters, verklaarde opperrechter Lord Bingham. Zelfs het handvest van het internationale militaire tribunaal van Neurenberg na de Tweede Wereldoorlog doet volgens hem geen afbreuk aan het beginsel “dat de ene soevereine staat de soevereine daden van een andere niet zal betwisten'.

Het internationale recht is gebaseerd op de soevereiniteit en gelijkheid van staten. Een eerste uitvloeisel van dit beginsel is dat geen staat jurisdictie kan uitoefenen over een andere waar het gaat om “acts of state'. Absoluut is deze stelregel echter allang niet meer. Twintig jaar geleden schafte het Verenigd Koninkrijk bij wet soevereine immuniteit in beginsel reeds af voor commerciele transacties. De theorie dat soevereiniteit een absoluut karakter heeft, is door de meerderheid van de staten verlaten, constateert het Britse handboek internationaal recht van Malcolm N.Shaw.

Toepassing van het strafrecht blijft echter bij uitstek een nationale aangelegenheid. Het uitleveringsrecht bevat van oudsher een uitzondering voor staatshoofden. Dezen blijven ook na hun aftreden beschermd voor daden die ze in functie hebben begaan.

De vraag in het geval van Pinochet is alleen of deze bescherming niet wordt doorbroken in het geval van de misdrijven tegen de menselijkheid waarvan de nieuwe internationale code spreekt. Dat zijn geen gewone delicten. Rechter Bingham onderkende ook dat het onbevredigend is wanneer personen die misbruik maken van soevereine macht berechting en straf zouden ontlopen.

Als oplossing voor dit dilemma is geopperd dat de speciale categorie regeringsleiders weliswaar niet door andere staten kan worden berecht maar wel door een internationaal tribunaal, zoals het nieuwe internationale strafhof. Deze exclusiviteit valt echter niet af te leiden uit de tekst van het ontwerp-wetboek van internationaal strafrecht, is desgevraagd een reactie van de Amsterdamse hoogleraar Europese strafrechtelijke samenwerking A.H.J.Swart.

Wat zegt het handvest van Neurenberg, waarnaar Lord Bingham verwees, zelf? Een officele status waaronder die van staatshoofd, bevrijdt niet van verantwoordelijkheid of straf onder internationaal recht. Het punt is dat het internationaal recht steeds meer toepassing geeft aan het zogeheten universaliteitsbeginsel in het strafrecht. Dit houdt in dat delicten tegen de menselijkheid kunnen worden berecht door iedere staat die dit beginsel heeft aanvaard, ongeacht door wie of waar ze zijn begaan.

Een goed voorbeeld is het VN-verdrag uit 1984 tegen foltering, dat alle aangesloten staten met zoveel woorden opdraagt “eventueel noodzakelijke maatregelen tot vestiging van rechtsmacht' te nemen. Volgens dit verdrag veronderstelt foltering de betrokkenheid van personen die handelen in een officiele hoedanigheid. Immuniteit, of een speciaal tribunaal, voor de leiders valt daarmee moeilijk te rijmen.

Iets anders, zegt Swart, is dat de opstellers van het handvest van Neurenberg de uitbreiding van de universele rechtsmacht van de afzonderlijke staten niet hebben voorzien toen zij hun strikte stelregel formuleerden. Het resultaat is een spanning tussen dit beginsel en de diplomatieke praktijk waar geen pasklare oplossing voor is.