MoMA moet afstand doen van tekeningen; Debat over begrip 'modern'

Het Museum of Modern Art (MoMA) in New York heeft afstand moeten doen van vier belangrijke tekeningen uit zijn collectie, omdat ze te oud waren. De vrouw die de tekeningen, twee van Van Gogh en twee van Seurat, in 1948 aan het museum naliet was een van de oprichters van het MoMA.

Zij was ervan overtuigd dat de werken na vijftig jaar niet meer modern zouden zijn en daarom ook niet meer in een museum voor moderne kunst zouden thuishoren. De kwestie heeft een discussie losgemaakt over het betekenis van het begrip “modern' in de kunst. Het MoMA had de tekeningen liever gehouden en noemt de affaire “pijnlijk'. Maar het museum kon niet anders dan de twee Van Goghs overhandigen aan het Metropolitan Museum of Art in New York, en de Seurats aan het Art Institute in Chicago.

Abby Aldrich Rockefeller, de vrouw van de John D. Rockefeller Jr., stond aan de wieg van het Museum of Modern Art, dat ze 1929 samen met Mary Quinn Sullivan en Lillie P. Bliss oprichtte. Ze vond dat het een museum voor uitsluitend nieuwe kunst moest zijn. Alle kunst die niet nieuw was hoorde volgens haar thuis in een museum als het Metropolitan, dat een brede collectie heeft van kunst van alle tijden en van over de hele wereld. De Rockefellers hoorden tot de grootste mecenassen van het land, hij had zijn hart verpand aan the Met, zij aan the Modern.

Toen mevrouw Rockefeller in 1948 overleed, bleek dat zij haar visie op de missie van het museum in haar testament had vastgelegd. Ze bepaalde dat het MoMA de vier tekeningen kreeg op voorwaarde dat het museum ze na vijftig jaar weer aan andere musea zou doorgeven. En ze bepaalde ook welke musea: instellingen die niet uitsluitend op hedendaagse kunst gericht waren. Een jaar geleden stuurden het Metropolitan en het Art Institute elk een briefje om het MoMA eraan te herinneren dat de termijn bijna verstreken was. De kunstwerken zijn Gang in het hospitaal in St.-Remy, een gouache uit 1889,en Straat in Stes.-Maries (1888), allebei van Van Gogh, en twee studies voor Zondagmiddag op het eiland La Grande Jatte van Seurat (1884-1886), een schilderij dat al in het bezit van het Art Institute is.

De eerste directeur van het Museum of Modern Art beschouwde de collectie als een torpedo die door de tijd schiet: met zijn neus altijd in het heden en met vijftig tot honderd jaar aan eerdere kunst als staart. In lijn met dat uitgangspunt was in de jaren veertig de gedachte dat het museum het best modern kon blijven door regelmatig oudere, klassiek geworden werken te verkopen om geld bijeen te brengen voor de aanschaf van nieuwe kunst. Modern was volgens de toenmalige opvatting van de New-Yorkse musea alle kunst van levende kunstenaars, of van overleden kunstenaars die nog belangrijk waren voor contemporaine stromingen in de kunst. Klassiek daarentegen was kunst die deel uitmaakte van de culturele geschiedenis van de mensheid.

Een overeenkomst tussen New-Yorkse musea om op die basis kunstwerken uit te wisselen, liep begin jaren vijftig al stuk. Gedetailleerd uitgewerkte plannen van het MoMA om meesterwerken van bijvoorbeeld Cezanne, Van Gogh en Rousseau op van te voren vastgestelde momenten de deur uit te doen, werden afgeblazen. Daardoor is het MoMA sindsdien ook een historisch museum kunnen worden, dat veel “moderne klassieken' in zijn collectie heeft. Het hele begrip modern wordt nu opgevat als aanduiding van een bepaalde periode in de kunst, die inmiddels zelf klassiek is. Nieuwe kunst daarentegen valt onder het begrip hedendaags of contemporain.

Op de opiniepagina van The New York Times schreef de kunstfilosoof Arthur C. Danto gisteren dat het MoMA slachtoffer is geworden van een spraakverwarring over de termen “nieuwheid' en “moderniteit'. “De vier tekeningen passen keurig in het tijdperk van het modernisme', dat volgens Danto begint met Manet's Dejeuner sur l'Herbe (1863) en eindigt in de jaren zestig. “De grote werken van het modernisme zullen altijd modern zijn' schrijft Danto.