Links af naar Euroland

De Europese politieke kaart is deze herfst van kleur veranderd en dat plaatst de Economische en Monetaire Unie, de EMU, met nog negen weken te gaan tot de invoering van de euro in een nieuw licht.

Het politieke discours in 'euroland' gaat niet meer over de wenselijkheid van begrotingsdiscipline, lage inflatie en het Stabiliteitspact, maar over de noodzaak van renteverlagingen en economische groeiplannen. De aandacht richt zich niet langer op de euro als het monetaire anker voor de vrije markt, maar als aangrijpingspunt voor grotere politieke sturing van de economie.

Tot nu toe was de gedachte dat de euro zou werken als stok achter de deur om overheden te dwingen orde op zaken te stellen, begrotingen min of meer sluitend te maken en de sociale zekerheid te herzien. Zo heeft het grosso modo ook gewerkt, tot en met de vaststelling van de elf deelnemende landen in mei. Nu gloort er een andere aanpak: de euro als instrument om de verzorgingsstaat af te schermen van marktinvloeden.

Deze omslag weerspiegelt de politieke verschuivingen waarbij in dertien van de vijftien EU-landen coalities met socialisten, communisten en 'groenen' aan de macht zijn.

Het arsenaal met 'oud-linkse' economische sturingsinstrumenten staat weer op de politieke agenda. Uit Duitsland borrelen nu voorstellen zoals die jarenlang uit Frankrijk kwamen. Coordinatie van het economische beleid op grond van artikel 103 van het Verdrag van Maastricht. Een gouvernement economique met de 'euro-11 raad' van ministers van Financien als politieke tegenhanger van de Europese Centrale Bank. Sturing van de wisselkoersen. Banenplannen. Beteugeling van kapitaalverkeer. Druk om de rente te verlagen.

Waar hebben we dit eerder meegemaakt? Het roept herinneringen op aan het beleid van president Mitterrand uit 1981-'83 in Frankrijk, toen de verbeelding aan de macht was om de economie te stimuleren door de bestedingen op te voeren en de franc in koers te laten dalen.

De Fransen hebben hun voorkeur voor het politieke primaat over de economie nooit opgegeven. Alleen: ze werden in toom gehouden door de Duitsers. In 1983 dwong Duitsland de Franse regering om het socialistische beleid los te laten en zich te conformeren aan de monetaire discipline van de D-mark. Tijdens de muntcrises van 1992-'93 hield Duitsland de franc overeind. Iedere keer als een Franse politicus iets voorstelde wat de Duitsers niet zinde sabelden minister van Financien Waigel en Bundesbank-president Tietmeyer dat neer. En anders was er altijd nog het gewicht van de bondskanselier om tot Stabilitat te manen.

Die tijd is voorbij. Waigel en Kohl zijn weggestemd, Tietmeyer raakt binnenkort de onaantastbare status van de Bundesbank kwijt als de Europese Centrale Bank operationeel wordt. Met de SPD komt in Duitsland het economisch activisme aan de macht. Oskar Lafontaine, de Napoleon van Saarland, wil alles wat de Fransen wilden maar dan op zijn Duits. Op de sleutelpositie van zijn ministerie (vergelijkbaar met die van de thesaurier-generaal in Nederland) heeft Lafontaine de 'neo-Keynesiaan' Reiner Flassbeck benoemd. Flassbeck afkomstig van de economische denktank DIW in Berlijn, is voorstander van hogere lonen, hogere overheidsuitgaven en lagere rente. Hij zal Duitsland in de Europese en internationale fora als hoogste ambtenaar vertegenwoordigen.

Wie zal Lafontaine proberen te beteugelen? De Britten staan buitenspel omdat ze niet aan de EMU meedoen. Zalm heeft de afgelopen jaren weL vrienden gemaakt in de Ecofin, maar zijn steunpilaar Theo Waigel, is hij kwijt. Frankrijk dan? Frankrijk heeft een verstandige minister van Financien, Dominique Strauss-Kahn.

Het zou een curieuze wending in de geschiedenis zijn: een Fransman met een Duitse naam die een Duitser met een Franse naam dwingt zich te houden aan de afgesproken euro-discipline.

Of anders Duisenberg, de president van de ECB. Die heeft vorige week al gewaarschuwd tegen de Duitse plannen. Ook dat is Europese ironie: Duisenberg heeft zijn positie te danken aan de steun van de vorige Duitse regering.

Europese politici wijzen met gretigheid naar de Verenigde Staten, waar de Federal Reserve de rente de afgelopen maand twee keer verlaagd heeft. Het officiele Amerikaanse rentetarief is 5 procent, terwijl dat in Duitsland, Frankrijk en Nederland 3,3 procent bedraagt. Dat kan misschien enkele tiende procentpunten omlaag, maar veel rek zit er niet in. Wel zijn de eurolanden met een hogere rente (zie Italie deze week) bezig om die voor het einde van het jaar naar het lage Duitse niveau te brengen. Dit brengt het gemiddelde renteniveau in euroland naar beneden.

Afgezien van het verschil in conjunctuurfase is er nog een reden voor terughoudendheid om op een Europese renteverlaging aan te dringen: de Amerikaanse overheid heeft een begrotingsoverschot. De meeste Europese landen, en euroland als geheel hebben tekorten en lijken bereid om die zelfs te laten oplopen.

De Amerikanen hebben sinds eind jaren tachtig geleerd om geen politieke druk op de Fed uit te oefenen. Zo kon Alan Greenspan, de voorzitter van de Fed zijn onafhankelijke gezag opbouwen. Met zijn degelijke monetaire beleid heeft hij een uitzonderlijke periode van groei van de Amerikaanse economie ondersteund. Ook de president van de ECB moet de ruimte krijgen om onafhankelijk beleid, zoals in het verdrag is vastgelegd, te voeren. Met zijn directie moet hij zich politiek ongebonden weten om de rente te verhogen en zo nodig te verlagen. Want als elf landen zich op hoge toon met het beleid van de centrale bank gaan bemoeien, begint de EMU met ellende.