Laveren tussen oerangst en verveling

Baby's en peuters laten zich eenvoudig opvangen. Ingewikkelder is de opvang van oudere kinderen. Wanneer kunnen ouders hun kinderen loslaten? Kinderopvang als eeuwig probleem.

STEEDS MEER OUDERS voorzien hun tieners van een mobiele telefoon en gaan vervolgens met een gerust hart naar het werk. Niet alleen kunnen ze zo hun kind op elk tijdstip (buiten schooluren natuurlijk) opbellen om te horen wat hij of zij uitvoert, het kind kan zelf ook onmiddellijk bellen als er iets aan de hand is. Het gsm-etje als elektronische oppas biedt grote voordelen: 'Hallo, mam? Ik zit hier opgesloten in een lift op weg naar de tandarts ja, ik heb het alarmnummer al gebeld, ze komen eraan, ik dacht ik laat het je even weten.'

Kinderopvang is een eeuwig probleem. In deze tijd lijkt het zelfs nog wel groter en ingewikkelder dan in andere tijden, omdat de kinderen zoveel langer kind blijven. Als het normaal is dat zestienjarigen in loondienst werken, dan heb je als ouder ook geen opvangprobleem.

Door de toename van het aantal buitenshuis werkende vrouwen is kinderopvang een onderwerp van maatschappelijke discussie geworden, een politieke zaak. De afgelopen twintig jaar ging het daarbij vooral over creches. Dat die er te weinig zijn, dat er meer geld aan moet worden besteed, dat ze slecht zijn voor jonge kinderen of dat ze juist een heilzame invloed hebben. Er is ongelooflijk veel discussie-energie in die creches gaan zitten, niet in verhouding met het maatschappelijke probleem van de opvang van nul- tot vierjarigen.

Wie al wat langer kinderen heeft, weet dat de opvang tussen nul en vier jaar een makkie is, vergeleken met de opvang op oudere leeftijd. Baby's en peuters zijn flexibel. Ze vinden alles gewoon en protesteren niet. De beslissing van ouders voor de ene of de andere vorm van kinderopvang is dan ook vooral een kwestie van projectie. Voor de geboorte van mijn oudste ging ik een kijkje nemen in een creche.

Ik zag gekrioel, ik hoorde gehuil en er hing een briefje met de mededeling 'er heerst roodvonk'. Ik wist niet hoe snel ik het pand weer moest verlaten en dacht: 'Mijn kind nooit in een creche'.

Bij de derde was ik van mening veranderd. Ik was er intussen aan gewend geraakt dat een groepje peuters altijd een krioelende indruk maakt en tilde ook niet meer zo zwaar aan gehuil. Dat hoort erbij, net als luis en roodvonk. Een goede creche kan niet slecht zijn. Een goede oppas trouwens ook niet.

Waarom blijft de opvang van nul- tot vierjarigen nog steeds een bron van tobberij? Omdat de moeder zich schuldig voelt en stiekem denkt dat zijzelf de aangewezen 'instantie' is voor kinderopvang. Alle andere oplossingen zijn second best. Zelfs als je ervan overtuigd bent dat het kind het prima naar z'n zin heeft op de creche, of met die schat van een oppas, of in dat gezellige gastgezin, dan nog heb je altijd te maken met de vage angst dat er iets gebeurt, terwijl jij er niet bij bent om in te grijpen.

Deze angst staat los van de betrouwbaarheid van kinderopvangers. Het is een oerangst, die zich voordoet zodra het kind uit je gezichtsveld verdwijnt, of het nu op de creche zit, bij een vriendje speelt of vooruitrennend om de hoek verdwijnt. Er zijn veel ogenblikken van geluk, plezier en gezelligheid te beleven als je kinderen hebt, maar het moment dat iedereen vredig ligt te slapen en het er naar uitziet dat dat de rest van de avond zo zal blijven, scoort in de hierarchie van gelukservaringen toch wel heel hoog.

Er is een manier om je tegen de oerangst van overdag teweer te stellen en dat is thuismoeder worden. Dan zit je de eerste vier jaar goed, zij het dat je last krijgt van verveling.

Dit is voor thuismoeders een serieus probleem, omdat er in tegenstelling tot vroeger tijden niet zoveel meer te doen is thuis. Met twee a drie uur werk per dag is het huishouden echt wel bekeken en dan strekken zich nog eindeloze uren uit met baby of peuter die hun versnipperde leefritme aan je opdringen. Hoe leuk het ook is om de kleine te zien opgroeien en ermee aan te keutelen, er moet ook iets substantieels naast bestaan om de zinnen te verzetten. Als het geen beroepsarbeid is, dan toch een hobby of een cursus of vrijwilligerswerk. Ook de meest thuizige thuismoeder ontkomt niet aan opvang en dan zwalkt ook zij tussen verveling en angst.

Op de basisschoolleeftijd wordt het ingewikkelder, omdat nu het kind zelf een stem in het kapittel krijgt. De moeder heeft voor zichzelf de optimale ratio tussen verveling en angst bepaald (bijvoorbeeld drie dagen werken, twee dagen thuis), maar de nieuwe schooltijden gooien alles door de war. Om drie uur gaat de school uit en op woensdag zelfs om twaalf uur! Buitenschoolse opvang geldt als remedie en Paars-II wil er graag geld in steken. Maar ik weet niet of de BSO (buitenschoolse opvang) zo'n succesvolle institutie zal worden. Een dag op de creche of met een oppas is vergelijkbaar met een vliegreis. 's Ochtends vertrekt het kind, op het eind van de middag komt het aan. Een basisschoolkind maakt ook een vliegreis, maar dan met een overstap erin naar de BSO, dus twee keer opstijgen en twee keer landen. Overstappen is vervelend, zoals elke luchtreiziger zal bevestigen. Voor een kind zal het evenmin bijzonder aantrekkelijk zijn op driekwart van de dag naar een andere groep te moeten overschakelen.

Ook dit kan weer projectie van de ouders zijn.

Wie weet vinden een heleboel kinderen het helemaal niet erg om na een schooldag aan het volgende 'groepsgebeuren' te beginnen. Het is een kwestie van: wie eraan gewend is, weet niet beter. Maar toch. In deze cultuur wordt erg aan vrijheid gehecht, voor volwassenen en ook voor kinderen, voor zover het legitieme verlangens betreft. Als een kind zegt dat hij na school een beetje thuis wil rommelen, z'n huiswerk aan z'n eigen bureautje maken, iets uit de thuisijskast wil pakken, liever dan standaard in een clubgebouw zitten dan is dat een legitiem verlangen dat je als ouder niet zo makkelijk aan je laars lapt.

Voor tieners geldt dat a fortiori. Middelbare scholieren krijg je niet meer in een opvangvoorziening. Sluipenderwijs heeft het probleem van het vermijden van moederlijke verveling zich verlegd naar het vermijden van kinderlijke verveling. En nog steeds is het moeilijk de juiste balans te vinden. Veel tienerverveling (in gereglementeerde BSO of verplichte huiswerkklassen) geeft weinig ouderlijke angst. Weinig tienerverveling (lekker vanuit thuis doen waar je zin in hebt) geeft veel ouderlijke angst. Tenslotte kunnen die tieners uitstapjes maken naar de coffeeshop, 06-nummers bellen, andere tieners in huis halen die ellendige video's bij zich hebben of plannetjes maken met een hoog zeven-slotengehalte. Met toezicht kunnen deze gevaren net iets beter worden bezworen dan zonder. Maar het probleem met kinderen vanaf een jaar of twaalf is dat ze geen zin meer hebben in toezicht van vreemden. Ouders zijn eigenlijk de enigen van wie ze nog enige zeggenschap aanvaarden over hoe ze hun dagelijks leven inrichten, al gaat het maar over dat je je moet houden aan de huisregels.

Wie weet is de aanwezigheid van een ouder voor tieners nog wel belangrijker dan voor zuigelingen.

Tegelijk is die aanwezigheid in de naschoolse middaguren ook betrekkelijk zinloos. Zoals sleuteltieners zeggen: 'Wij zijn te vertrouwen, we kunnen toch bellen als er iets is?' En dat is waar. Bovendien kunnen ouders tieners instrueren om altijd te rapporteren waar ze uithangen. Met een gsm-etje gaat dat helemaal makkelijk. Maar de angst blijft altijd, ook als ze het huis uit zijn en een zelfstandig leven leiden. De angst blijft, tot hij omklapt en volwassen kinderen zich zorgen beginnen te maken over de opvang van bejaarde ouders.