Het einde van paars

Minder dan een maand hebben de SPD en de Groenen in Duitsland, nog altijd het grootste en machtigste land in Europa, nodig gehad om hun onderhandelingen over een regeerakkoord met succes af te sluiten. Een kleine 50 pagina's beslaat het document waarmee de kersverse en allebei uit de oppositie afkomstige coalitiepartners het met elkaar gaan proberen.

Vergelijk dat eens met Nederland, waar de paarse partners afgelopen zomer drie maanden, en bijna negentig pagina's tekst nodig hadden om te kunnen concluderen dat men de succesvolle regeringssamenwerking van de vier jaar daarvoor wenste voort te zetten.

Was er uit die noeste mierenijver nog maar een regeerakkoord voortgekomen waarmee paars een flitsende tweede ronde had kunnen beginnen. Maar het tegendeel is het geval. Tobberigheid heeft de glans van het eerste paarse kabinet vervangen. Kok I blijkt de boel aanzienlijk minder mooi te hebben achtergelaten voor Kok II dan werd aangenomen. De lijst met erfenissen is inmiddels genoegzaam bekend: Srebrenica, de nasleep van de Bijlmerramp, verkeerde cijfers over te verwachten asielzoekers verkeerde cijfers over de verwachte groei van Schiphol, de slordige gang van zaken rond de aankoop van het schilderij Victory Boogie Woogie.

En dan is er ook nog de omslag in de economische gevoelstemperatuur. In feite is het regeerakkoord van PvdA, VVD en D66 nu reeds verouderd. Het wachten is op de winstwaarschuwing van Kok en de zijnen. Nog even en het zogeheten 'behoedzame scenario' waarop alle economische veronderstellingen van Paars II zijn gebaseerd, is het ultieme droomscenario.

Natuurlijk, het is nog niet zo ver en politici moeten er voor waken in een tijd waar economie meer en meer een synoniem voor psychologie lijkt te zijn, de crisis over zichzelf af te roepen. Maar dat neemt niet weg dat de ontwikkelingen van de laatste maanden weer eens de betrekkelijkheid van het instituut regeerakkoord hebben aangetoond. Jammer voor alle uren arbeid van de afgelopen zomer, maar voor het overige betekent het nu reeds achterhaalde regeerakkoord niet meer dan dat het kabinet nog eerder geheel op eigen kracht moet gaan regeren.

Ook dat hoeft geen probleem te zijn, zolang het met de coalitiehechtheid goed gesteld is. Maar juist op dit punt verschillen de randvoorwaarden voor Paars II aanzienlijk van die voor Paars I.

Want behalve dat het huidige kabinet met alle 'onbetaalde rekeningen' de gevangene is van zijn voorganger, dreigt het meer nog gevangene van de toekomst te worden. De paarse samenwerking, zo weten de coalitiepartners, is eindig. Er is het ervaringsgegeven dat coalities van dezelfde samenstelling het maar moeilijk langer dan twee periodes volhouden. Daar komt nog bij dat aan de paarse politieke top tussen nu en de volgende kabinetsperiode de nodige personele mutaties zijn te verwachten. Blijft Kok, wie gaat de VVD leiden, wie wordt de politiek leider van D66? Vragen, vragen, vragen, waarop de antwoorden deze kabinetsperiode verstrekt moeten worden. Maar ook stuk voor stuk antwoorden die voorafgegaan zullen worden door het nodige rumoer, dat zijn uitstraling zal hebben op de verhoudingen binnen de coalitie.

De eerste tekenen van de transitie-periode openbaren zich nu reeds. Zo is het niemand ontgaan dat de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer over een in alle opzichten nieuwe fractievoorzitter beschikt. De adjudant Wallage is met Melkert vervangen door een adjudant met duidelijke opvolgingsambities. In het eerste kabinet-Kok was Melkert de vertrouweling van de minister-president. Maar met de andere rolverdeling is er tevens sprake van andere loyaliteiten. Melkert is in de eerste drie maanden van zijn nieuwe bestaan reeds lastiger voor het kabinet geweest dan Wallage in de vier jaar daarvoor. Of er uberhaupt sprake is van een opvolgingskwestie bij de PvdA, is nog lang geen uitgemaakte zaak. Kok gaat die vraag wijselijk uit de weg. Dat kan echter niet voorkomen dat anderen binnen de PvdA er wel volop over filosoferen. Zodoende wordt elke handeling van Melkert toch bezien in het licht van de toekomst en wordt het een virtueel feit.

De VVD zit na het afscheid van Bolkestein met een voor iedereen zichtbare leidersvraag. Volgens de VVD-normen mag fractievoorzitter Dijkstal zich weliswaar politiek leider van de liberalen noemen, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook de komende lijsttrekker zal worden. Die strijd is nog volledig open, maar moet ook in deze tweede paarse kabinetsperiode beslist worden. Zodoende heeft politiek Den Haag niet alleen te maken met de VVD-ministers De Grave en Jorritsma, maar ook met de leiderskandidaten De Grave en Jorritsma. Dat geeft toch weer een andere dimensie aan hun optreden.

Ten slotte D66. De partij zit deze periode zelfs met twee opdrachten. Allereerst moet de reden van bestaan bewezen worden. De architect van paars kan zich bij volgende verkiezingen niet nog eens een afstraffing door de kiezer veroorloven. De peilingen wijzen vooralsnog wel in die richting. Over vier maanden zijn de Statenverkiezingen. Een verder verlies van D66 zal onherroepelijk tot ander, assertiever, coalitiegedrag bij deze partij leiden. Daar komt nog bij dat ook bij D66 de naam van de nieuwe leider nog geen uitgemaakte zaak is. Fractieleider De Graaf heeft nu nog de beste papieren, maar grote groepen binnen de partij blijken minstens zo gecharmeerd te zijn van 'hun' minister Roger van Boxtel. Het betekent hoe dan ook meer beweging binnen de gelederen van D66 met de daarbij behorende politieke repercussies.

Al deze interne partij-perikelen spelen zich af in een politiek klimaat waarbij de ideologisch gekunstelde constructie die paars is steeds meer gaat knellen. Paars I was het kabinet dat voortgedreven werd door de meewind. De eerste maanden van Paars II hebben laten zien dat voor de nieuwe ploeg een moeizaam strompelen door de blubber dreigt.